100 meest voorkomende Nederlandse werkwoordenDutch words
by AmandaTaylor
zijn
Zij is mijn vriendin.
hebben
Wij hebben gisteren een feestje gehad.
moeten
Ik moet naar de supermarkt.
kunnen
Ik kan zwemmen.
gaan
Ik ga naar de supermarkt.
doen
Ik heb mijn huiswerk gedaan.
weten
Weet jij waar de supermarkt is?
worden
Ik word betaald.
zeggen
Kun je me zeggen hoe laat het is?
willen
Wil je met me dansen?
zullen
Zullen we vanavond naar de film gaan?
komen
Kom je vanavond naar het feest?
zitten
Zij zitten in de klas.
maken
Wij maken een wandeling.
staan
Ik sta op de bus te wachten.
zien
Zij ziet er moe uit.
kijken
Ik kijk naar de vogels in de lucht.
mogen
Mag ik naar de wc?
laten
Ik laat mijn haar knippen.
denken
krijgen
Heb je mijn berichtje gekregen?
vinden
Zij vinden het restaurant erg goed.
leven
Hij heeft een goed leven.
vragen
Mag ik je iets vragen?
geven
Zij geeft een feestje voor haar verjaardag.
werken
Werken is goed voor je gezondheid
lezen
Kun je deze zin voor me lezen?
blijven
Ik blijf hier tot morgen.
bestaan
Deze organisatie bestaat al sinds 1990.
liggen
Het boek ligt op de tafel.
blijken
Het blijkt dat hij niet kan komen.

houden
Wij houden een feestje vanavond.
kosten
De kosten van de boodschappen zijn gestegen.
geloven
Ik geloof dat het gaat regenen.
nemen
Ik neem een kopje koffie.
eten
Ik wil eten bestellen.
lijken
De taart lijkt lekker.
beginnen
Ik begin mijn dag met een kopje koffie.
drinken
praten
Ik praat graag met mijn vrienden.
zetten
Kun je de televisie even aan zetten?
lopen
Ik loop naar school.
halen
Kun jij de kinderen van school halen?
spelen
Ik speel graag voetbal.
vallen
De appel valt van de boom.
gebeuren
Er gebeurt altijd iets leuks op dat festival.
betreffen
Dit betreft jou niet.
horen
Heb je mij gehoord?
kennen
Ik ken haar al jaren
brengen
Ik breng de boeken naar de bibliotheek.
leren
Ik leer Nederlands.
voorstellen
Ik wil graag voorstellen om de schoolbibliotheek uit te breiden.
spreken
Ik spreek Nederlands.
vertellen
Ik wil je iets vertellen.
slapen
Ik slaap graag uit in het weekend.
stellen
Hij stelt zijn fiets in de schuur.
groeien
De plant groeit snel. Kinderen groeien snel in de eerste jaren van hun leven.
gebruiken
Ik gebruik mijn telefoon om te bellen.
verwachten
Ik verwacht morgen mooi weer.
betekenen
Dit symbool betekent dat het product recyclebaar is.
betalen
Ik moet nog betalen voor mijn boodschappen.

vormen
De klei vormen tot een vaas.
kopen
tellen
Ik kan tot tien tellen.
zorgen
Ik zorg voor mijn zieke oma.
bieden
De stad biedt veel culturele activiteiten.
verkopen
volgen
Zij volgt een opleiding tot verpleegkundige.
trekken
Ik trek aan de deur.
bepalen
Ik kan niet voor jou bepalen wat je moet doen.
zoeken
Hij heeft gisteren naar zijn telefoon gezocht.
leggen
Ik leg de boeken op de tafel.
schrijven
beperken
Ik moet mijn uitgaven beperken tot €50 per week.
gelden
De wet geldt voor alle burgers.
leiden
De gids zal ons door de stad leiden.
bedragen
Het totaalbedrag bedraagt €100.
wachten
Ik moet wachten op de bus.
plaatsen
Kun je de foto in de lijst plaatsen?
plannen
We gaan samen onze speciale dag plannen.
starten
Laten we starten met de beveilingsvideo
proberen
Ik ga proberen om op tijd te komen.
voeren
Sommige dierentuinen nemen bamboe aan om panda's te voeren.
bouwen
We gaan een nieuwe brug bouwen.
kiezen
Ik kies altijd voor de vegetarische optie.
voorzien van
Ik voorzie mijn vrienden van eten en drinken tijdens het feest.
betrekken
De prijs betrekt alle kosten. Ik wil je graag betrekken bij ons project.
helpen
Ik help mijn vriendin met haar huiswerk.
bezoeken
Ik bezoek mijn oma.
leveren
Zij leveren goede service aan hun klanten.
antwoorden
Kun je even snel antwoorden?

noemen
Ik wil je graag noemen als mijn vriend. Hoe noem je deze bloem in het Nederlands?
De leraar noemde de namen van de studenten op.

heten
Hoe heet jij?
veranderen
Ik wil mijn haar veranderen.
vertrouwen
Ik vertrouw mijn beste vriend volledig.
ontstaan (ontstond, ontstaan)
Er is een probleem ontstaan.
Het conflict is ontstaan door een misverstand.
De brand is ontstaan door kortsluiting.
stijgen (steeg, gestegen)
De prijzen stijgen elk jaar.
bezitten (bezette, bezet)
Ik bezit een auto.
voelen
Ik voel me blij vandaag.
begrijpen
Hij begrijpt niets van wiskunde.