100 most common Dutch verbsDutch words

zijn
to be
Zij is mijn vriendin.
hebben
to have
Wij hebben gisteren een feestje gehad.
moeten
to must, to have to
Ik moet naar de supermarkt.
kunnen
to can
Ik kan zwemmen.
gaan
to go
Ik ga naar de supermarkt.
doen
to do
Ik heb mijn huiswerk gedaan.
weten
to know
Weet jij waar de supermarkt is?
worden
to become
Ik word betaald.
zeggen
to say
Kun je me zeggen hoe laat het is?
willen
to want
Wil je met me dansen?
zullen
to shall, to will
Zullen we vanavond naar de film gaan?
komen
to come
Kom je vanavond naar het feest?
zitten
to sit
Zij zitten in de klas.
maken
to make
Wij maken een wandeling.
staan
to stand
Ik sta op de bus te wachten.
zien
to see
Zij ziet er moe uit.
kijken
to look
Ik kijk naar de vogels in de lucht.
mogen
to be allowed to
Mag ik naar de wc?
laten
to let
Ik laat mijn haar knippen.
denken
to think
krijgen
to get
Heb je mijn berichtje gekregen?
vinden
to find
Zij vinden het restaurant erg goed.
leven
to live
Hij heeft een goed leven.
vragen
to ask
Mag ik je iets vragen?
geven
to give
Zij geeft een feestje voor haar verjaardag.
werken
to work
Werken is goed voor je gezondheid
lezen
to read
Kun je deze zin voor me lezen?
blijven
to stay
Ik blijf hier tot morgen.
bestaan
to exist
Deze organisatie bestaat al sinds 1990.
liggen
to lie
Het boek ligt op de tafel.
blijken
to turn out, to become apparent
Het blijkt dat hij niet kan komen.
houden
to keep
Wij houden een feestje vanavond.
kosten
to cost
De kosten van de boodschappen zijn gestegen.
geloven
to believe
Ik geloof dat het gaat regenen.
nemen
to take
Ik neem een kopje koffie.
eten
to eat
Ik wil eten bestellen.
lijken
to appear
De taart lijkt lekker.
beginnen
to start
Ik begin mijn dag met een kopje koffie.
drinken
to drink
praten
to talk
Ik praat graag met mijn vrienden.
zetten
to put
Kun je de televisie even aan zetten?
lopen
to walk
Ik loop naar school.
halen
to fetch
Kun jij de kinderen van school halen?
spelen
to play
Ik speel graag voetbal.
vallen
to fall
De appel valt van de boom.
gebeuren
to happen
Er gebeurt altijd iets leuks op dat festival.
betreffen
to be concerned with
Dit betreft jou niet.
horen
to hear
Heb je mij gehoord?
kennen
to know
Ik ken haar al jaren
brengen
to bring
Ik breng de boeken naar de bibliotheek.
leren
to learn
Ik leer Nederlands.
voorstellen
to introduce
Ik wil graag voorstellen om de schoolbibliotheek uit te breiden.
spreken
to speak
Ik spreek Nederlands.
vertellen
to tell
Ik wil je iets vertellen.
slapen
to sleep
Ik slaap graag uit in het weekend.
stellen
to set, to put
Hij stelt zijn fiets in de schuur.
groeien
to grow
De plant groeit snel. Kinderen groeien snel in de eerste jaren van hun leven.
gebruiken
to use
Ik gebruik mijn telefoon om te bellen.
verwachten
to expect
Ik verwacht morgen mooi weer.
betekenen
to mean, to signify
Dit symbool betekent dat het product recyclebaar is.
betalen
to pay
Ik moet nog betalen voor mijn boodschappen.
vormen
to form
De klei vormen tot een vaas.
kopen
to buy
tellen
to count
Ik kan tot tien tellen.
zorgen
to take care of, to see to
Ik zorg voor mijn zieke oma.
bieden
to offer
De stad biedt veel culturele activiteiten.
verkopen
to sell
volgen
to follow
Zij volgt een opleiding tot verpleegkundige.
trekken
to pull
Ik trek aan de deur.
bepalen
to determine
Ik kan niet voor jou bepalen wat je moet doen.
zoeken
to search
Hij heeft gisteren naar zijn telefoon gezocht.
leggen
to lay
Ik leg de boeken op de tafel.
schrijven
to write
beperken
to limit
Ik moet mijn uitgaven beperken tot €50 per week.
gelden
to apply
De wet geldt voor alle burgers.
leiden
to lead
De gids zal ons door de stad leiden.
bedragen
to amount to
Het totaalbedrag bedraagt €100.
wachten
to wait
Ik moet wachten op de bus.
plaatsen
to place
Kun je de foto in de lijst plaatsen?
plannen
to plan
We gaan samen onze speciale dag plannen.
starten
to start
Laten we starten met de beveilingsvideo
proberen
to attempt
Ik ga proberen om op tijd te komen.
voeren
to feed
Sommige dierentuinen nemen bamboe aan om panda's te voeren.
bouwen
to build
We gaan een nieuwe brug bouwen.
kiezen
to select
Ik kies altijd voor de vegetarische optie.
voorzien van
to provide
Ik voorzie mijn vrienden van eten en drinken tijdens het feest.
betrekken
to include
De prijs betrekt alle kosten. Ik wil je graag betrekken bij ons project.
helpen
to help
Ik help mijn vriendin met haar huiswerk.
bezoeken
to visit
Ik bezoek mijn oma.
leveren
to supply
Zij leveren goede service aan hun klanten.
antwoorden
to answer
Kun je even snel antwoorden?
noemen
to name / call
Ik wil je graag noemen als mijn vriend. Hoe noem je deze bloem in het Nederlands? De leraar noemde de namen van de studenten op.
heten
to be called
Hoe heet jij?
veranderen
to change
Ik wil mijn haar veranderen.
vertrouwen
trust
Ik vertrouw mijn beste vriend volledig.
ontstaan (ontstond, ontstaan)
to create, to arisen
Er is een probleem ontstaan. Het conflict is ontstaan door een misverstand. De brand is ontstaan door kortsluiting.
stijgen (steeg, gestegen)
to rise
De prijzen stijgen elk jaar.
bezitten (bezette, bezet)
to own
Ik bezit een auto.
voelen
to feel
Ik voel me blij vandaag.
begrijpen
to understand
Hij begrijpt niets van wiskunde.