Basiskennis NederlandsDutch words

jongen
de jongen
meisje
het meisje
Engels
Nederlands
Ik hou van de Nederlandse cultuur.
En
Thee en koffie
Of
thee of koffie?
Hallo
Hoi
Hoe gaat het?
Hoe gaat het met je?
Goed, en met jij?
Hond
Kat
Ook
Ik ook
Goed
Slecht
Hij heeft een slechte dag.
Ja
Nee
Meneer
Mevrouw
Man
Nog niet
Goed, en met jou?
Thee of koffie
Een
een auto
Twee
Drie
Vier
Vijf
Zes
Zeven
Acht
Negen
Tien
Elf
Twaalf
Eergisteren
Gisteren
Vandaag
Morgen
Overmorgen
Middag
Avond
Nacht
Ochtend
Slaap lekker
Welterusten
Goedenacht
Goedemorgen
Goedemiddag
zo
niet zo goed
genoeg
goed genoeg
heel
heel goed!
goed zo
Goed zo, je hebt je huiswerk af!
bedankt
Hartstikke bedankt
Enorm bedankt
Heel erg bedankt
Superbedankt
Graag gedaan
Alsjeblieft
alstublieft
Pardon
Geen probleem
Eet smakelijk
Volgende
Volgende halte
Blijven
Blijf rustig, alles komt goed.
Wonen
Ik woon in Amsterdam.
Ouders
De ouders
van
De fiets is van mij
Kaart
Mag ik de kaart zien?
Ruit
De ruit
Klaver
De Klaver
Hart
het Hart
Schoppen
Hij heeft een schoppen in zijn hand.
denken
Ik denk dat het gaat regenen.
gokken
Gok jij?
wel eens
Zwem jij wel eens?
Af en toe
Ik eet af en toe een stukje chocolade.
raden
Raad wat ik heb gekocht!
twee voor de prijs van een
Korting
uitverkoop
aanbieding
gratis
kopen
Ik koop
Pinnen
Ik wil graag pinnen
te koop
verkopen
huren
lenen (leende, geleend)
Mag ik je fiets lenen voor een uur?
bellen
Ik bel mijn vriendin op.
Stuk
Dit is een stuk taart. Mijn telefoon is stuk. We gaan vanavond naar een theaterstuk.
Stukje
Ik wil graag een stukje taart.
een stukje wandelen
Laten we een stukje wandelen langs het strand.
brood
broodje
Ik wil graag een broodje kaas.
groot
De taart is groot genoeg voor iedereen.
klein
Ik heb een klein huis.
Kop
Mag ik een kop koffie, alstublieft?
Kopje koffie
Lepel
Kun je me alsjeblieft een lepel geven?
Theelepel
Voeg een theelepel vanille-extract toe aan het beslag.
Vork
de vork
Mes
tafel
stoel
Een stoel heeft meestal vier poten.
fles
Een lege fles
de dop
Ik draai de dop op de fles.
de plant
Ik heb een nieuwe plant gekocht voor mijn woonkamer.
misschien
Misschien regent het morgen.
nog niet
Ik heb nog niet gegeten.
natuurlijk
Wil je naar de film gaan? Natuurlijk!
Zeker
Ik weet het zeker
Weten
Ik weet (het niet)
Kennen
Ik ken (Alex)
Kunnen
Ik kan fietsen
Motorfiets
de Motor
De motor van de auto is kapot.
de Brommer
Hij heeft een nieuwe brommer gekocht.
Bromfiets
In
We gaan in de zomer op vakantie.
Uit
Hij haalt de sleutel uit zijn zak.
Binnen
De sleutel ligt binnen.
Buiten
De kinderen spelen buiten in de tuin.
Ingang
De ingang van het museum is aan de linkerkant. Waar is de ingang van het park? De ingang van het concert is om 19:00 uur.
Uitgang
Het woord "huis" heeft de uitgang "-en" in de meervoudsvorm.
de Bon
Deze film is echt bon! Kunt u mij de bon geven? Heb je de bon voor het concert? Ik kom om 8 uur, bon?
Rekening
De rekening
Brief
De brief
Pakket
Het pakket
Ontvangen
Wij hebben een cadeau ontvangen van onze vrienden.
Mag
Kan/Mag ik een fiets pakken/lenen
Dertien
Dertien appels
Veertien
Ik heb veertien appels gekocht.
Vijftien
Het is vijftien uur.
Zestien
Ik heb zestien appels gekocht.
Zeventien
Achtien
Er zijn achtien leerlingen in de klas.
Negentien
Zij is negentien jaar oud.
Twintig
Het is twintig uur.
Eenentwintig
Tweëntwintig
Drieëntwintig
Vierentwintig
Vijfentwintig
Zesentwintig
Zevenentwintig
Achtentwintig
Negenentwintig
Dertig