Dutch BasicsDutch words
by ViktorLesyk
jongen
boy
de jongen
meisje
girl
het meisje
Engels
English
Nederlands
Dutch
Ik hou van de Nederlandse cultuur.
En
And
Thee en koffie
Of
Or
thee of koffie?
Hallo
Hello
Hoi
Hi
Hoe gaat het?
How are you?
Hoe gaat het met je?
Goed, en met jij?
Good, and you?
Hond
Dog
Kat
Cat
Ook
Also
Ik ook
Goed
Good
Slecht
Bad
Hij heeft een slechte dag.
Ja
Yes
Nee
No
Meneer
Mr (Sir)
Mevrouw
Ms (Madam)
Man
Man
Nog niet
Not yet
Goed, en met jou?
Good, and you?
Thee of koffie
Tea or coffee
Een
A / One
een auto
Twee
Two
Drie
Three
Vier
Four
Vijf
Five
Zes
Six
Zeven
Seven
Acht
Eight
Negen
Nine
Tien
Ten
Elf
Eleven
Twaalf
Twelve
Eergisteren
Day before yesterday
Gisteren
Yesterday
Vandaag
Today
Morgen
Tomorrow
Overmorgen
The day after tomorrow
Middag
Afternoon
Avond
Evening
Nacht
Night
Ochtend
Morning

Slaap lekker
Sleep well
Welterusten
Goodnight
Goedenacht
Good night
Goedemorgen
Good morning
Goedemiddag
Good afternoon
zo
so
niet zo goed
genoeg
enough
goed genoeg
heel
very
heel goed!
goed zo
good job/well done
Goed zo, je hebt je huiswerk af!
bedankt
thanks
Hartstikke bedankt
Thank you very much
Enorm bedankt
Huge thanks
Heel erg bedankt
Thank you very much
Superbedankt
Super thanks
Graag gedaan
You're welcome
Alsjeblieft
Please
alstublieft
Please
Pardon
pardon
Geen probleem
No problem
Eet smakelijk
Enjoy your meal
Volgende
Next
Volgende halte
Blijven
Stay
Blijf rustig, alles komt goed.
Wonen
Living
Ik woon in Amsterdam.
Ouders
Parents
De ouders
van
from
De fiets is van mij
Kaart
Card / Map / Menu
Mag ik de kaart zien?
Ruit
Diamond
De ruit
Klaver
Clover
De Klaver
Hart
Heart
het Hart

Schoppen
Spades
Hij heeft een schoppen in zijn hand.
denken
to think
Ik denk dat het gaat regenen.
gokken
gambling
Gok jij?
wel eens
sometimes
Zwem jij wel eens?
Af en toe
Occasionally
Ik eet af en toe een stukje chocolade.
raden
to guess / to advise
Raad wat ik heb gekocht!
twee voor de prijs van een
two for the price of one
Korting
Discount
uitverkoop
sale
aanbieding
offer
gratis
free
kopen
to buy
Ik koop
I buy
Pinnen
To pay with a debit card
Ik wil graag pinnen
te koop
for sale
verkopen
to sell
huren
rent
lenen (leende, geleend)
borrow
Mag ik je fiets lenen voor een uur?

bellen
to call
Ik bel mijn vriendin op.
Stuk
Piece
Dit is een stuk taart.
Mijn telefoon is stuk.
We gaan vanavond naar een theaterstuk.
Stukje
Piece (small)
Ik wil graag een stukje taart.
een stukje wandelen
take a stroll (to walk for a bit)
Laten we een stukje wandelen langs het strand.
brood
bread
broodje
sandwich
Ik wil graag een broodje kaas.
groot
big
De taart is groot genoeg voor iedereen.
klein
small
Ik heb een klein huis.
Kop
Cup
Mag ik een kop koffie, alstublieft?
Kopje koffie
Cup of coffee
Lepel
Spoon
Kun je me alsjeblieft een lepel geven?
Theelepel
Teaspoon
Voeg een theelepel vanille-extract toe aan het beslag.
Vork
Fork
de vork
Mes
Knife
tafel
table
stoel
chair
Een stoel heeft meestal vier poten.
fles
bottle
Een lege fles
de dop
cap
Ik draai de dop op de fles.
de plant
plant
Ik heb een nieuwe plant gekocht voor mijn woonkamer.
misschien
perhaps / maybe
Misschien regent het morgen.
nog niet
not yet
Ik heb nog niet gegeten.
natuurlijk
natural / of course
Wil je naar de film gaan? Natuurlijk!
Zeker
Certainly
Ik weet het zeker
Weten
Know
Ik weet (het niet)
Kennen
Know
Ik ken (Alex)
Kunnen
Be able to
Ik kan fietsen
Motorfiets
Motorbike
de Motor
Engine
De motor van de auto is kapot.
de Brommer
Moped
Hij heeft een nieuwe brommer gekocht.
Bromfiets
Moped
In
In
We gaan in de zomer op vakantie.

Uit
Out / from
Hij haalt de sleutel uit zijn zak.
Binnen
Inside
De sleutel ligt binnen.
Buiten
Outside
De kinderen spelen buiten in de tuin.
Ingang
Entrance
De ingang van het museum is aan de linkerkant.
Waar is de ingang van het park?
De ingang van het concert is om 19:00 uur.
Uitgang
Exit
Het woord "huis" heeft de uitgang "-en" in de meervoudsvorm.
de Bon
Receipt / ticket / good / ok
Deze film is echt bon!
Kunt u mij de bon geven?
Heb je de bon voor het concert?
Ik kom om 8 uur, bon?
Rekening
Account / check / invoice
De rekening
Brief
Letter
De brief
Pakket
Package
Het pakket
Ontvangen
to receive
Wij hebben een cadeau ontvangen van onze vrienden.
Mag
May
Kan/Mag ik een fiets pakken/lenen
Dertien
Thirteen
Dertien appels
Veertien
Fourteen
Ik heb veertien appels gekocht.
Vijftien
Fifteen
Het is vijftien uur.
Zestien
Sixteen
Ik heb zestien appels gekocht.
Zeventien
Seventeen

Achtien
Eighteen
Er zijn achtien leerlingen in de klas.
Negentien
Nineteen
Zij is negentien jaar oud.
Twintig
Twenty
Het is twintig uur.
Eenentwintig
Twenty-one
Tweëntwintig
Twenty-two
Drieëntwintig
Twenty-three
Vierentwintig
Twenty-four
Vijfentwintig
Twenty-five
Zesentwintig
Twenty-six
Zevenentwintig
Twenty-seven

Achtentwintig
Twenty-eight
Negenentwintig
Twenty-nine
Dertig
Thirty