les1- Het huisDutch words

Het huis
De deur
Het raam
De woonkamer
De slaapkamer
De badkamer
De wc
De keuken
De gang
Het dak
De muur
De tuin
De trap
De lift
De wand
Het plafond
De voordeur
De achterdeur
De ingang
De uitgang
De studeerkamer
De hal
De kapstok
Het aanrechts
De meubels
Het bad
De douche
Het toilet
De woning
Het gebouw
Het slot
Het brievenbus
De drempel
Het hek
De hut
De mat
Het kussen
De deken
De bank
Het huishouden
De huisvrouw
Het stof
Het stofzuiger
De emmer
De stoel
De tafel
De lamp
De kraan
De zolder
De verdieping
De kelder
De sleutel
De spiegel
De handdoek
De vaas
Het gordijn
Het bed
De kast
De la
De verwarming
De tv
De radio
De vloer
Bouwen
Maken
Gebruiken
Wassen
Schoonmaken
Wonen
Slapen
Vuil
Groot
Klein
Lang
Kort
Handig
Hoog
Laag
Beneden
Boven
Eenvoudig
Comfortabel
Gezellig
Misschien
Aanbellen
Ik belde aan.