Link+(A0-A2)Dutch words

komen
Ik kom uit Nederland.
leren
Ik leer Nederlands.
maand
Volgende maand
stad
De stad Amsterdam is de hoofdstad van Nederland.
werken
Ik werk bij een bank
winkel
De winkel is vandaag gesloten.
Ik woon in Amsterdam
wonen
Ik woon in Amsterdam.
heten
Hoe heet jij?
hoelang
Hoelang ben je al in Nederland?
kloppen
Ik klop op de deur.
les
De leraar geeft les in wiskunde.
leuk
Ik vind deze film leuk.
spellen
Kun je dat woord spellen?
telefoonnummer
vandaan
Waar komt de trein vandaan?
adres
Wat is jouw adres?
Ik heb mijn eigen naam op het formulier ingevuld.
formulier
Ik heb mijn eigen naam ingevuld op het formulier.
geboortedatum
Wat is jouw geboortedatum?
geboren
Ik ben geboren in Amsterdam.
Ik moet mijn paspoort verlengen bij de gemeente.
gemeente
Ik moet mijn paspoort verlengen bij de gemeente.
Waren jullie twee vorige week niet op het gemeentehuis?
gemeentehuis
waren jullie vorige week niet in het gemeentehuis?
goedemorgen
Goedemorgen allemaal, laten we beginnen!
helpen
Kun je me alsjeblieft helpen met deze zware tas?
invullen
Ik moet dit formulier invullen.
kunnen
Kun je me helpen?
meneer
Goedemorgen meneer, hoe kan ik u helpen?
Hoe kun je een laptop hebben, maar geen mobiele telefoon?
mobiel
Hoe kunt u een laptop hebben, maar geen mobieltje?
nationaliteit
nieuw
Ik heb een nieuwe auto gekocht.
postcode
woonplaats
Wat is je woonplaats?
zullen
Ik zal morgen naar de stad gaan.
alleen
Ik ben alleen thuis.
een bericht verzenden met een app
appen
buren
Mijn buren zijn erg vriendelijk.
buurvrouw
De buurvrouw heeft mijn pakketje aangenomen.
Mijn hobby is het fotograferen van wilde bloemen
hobby
Mijn hobby is foto's trekken van wilde bloemen.
Ik hou van je
houden van
Ik hou van jou
huis
Het huis heeft een tuin.
kind
Hij heeft twee kinderen.
koken
Ik kook vanavond pasta.
ontmoeten
Ik wil graag jouw vrienden ontmoeten.
oud
De oude man
poes
Mijn poes heet Luna.
Ik ontmoette haar gisteren toevallig in een *restaurant*.
restaurant
Ik heb ze gisteren toevallig in een restaurant ontmoet.
sporten
Ik sport elke week in de sportschool.
welkom
Welkom in Nederland!
willen
Wil je met me dansen?
ander
Ik wil een ander boek lezen.
Ik eet graag een banaan als tussendoortje.
banaan
Ik eet graag een banaan als tussendoortje.
bijna
Ik ben bijna klaar met mijn huiswerk.
boodschappen
Ik ga boodschappen doen bij de supermarkt.
doen
Wat ga je vandaag doen?
Ik heb geen geld meer, dus ik kan niet met je uit eten gaan.
dus
Ik heb geen geld meer, dus ik kan niet met je uit eten gaan.
eten
Wij gaan eten koken.
fruit
Ik eet graag fruit.
groente
Ik koop altijd verse groente op de markt.
kip
Ik wil graag een stukje kipfilet.
kopen
Ik koop een boek.
Deze lijst is inclusief de vroegere leden van de groep.
lijst
Deze lijst geeft ook de vroegere leden van de groep.
maken
Ik maak een taart.
meer
Er zijn meer dan genoeg stoelen voor iedereen.
of
Wil je koffie of thee?
praten
Ik praat graag met mijn vrienden.
rijst
thuis
Ik ben thuis.
tomaat
De salade heeft tomaten en komkommer.
vis
De vis zwemt in de zee.
vlees
De slager verkoopt vers vlees.
wortel
De soep heeft een zoete smaak door de wortels.
aardappel
We hebben aardappelen, groenten en vlees gegeten.
alsjeblieft
Wil je nog wat koffie? Alsjeblieft.
alstublieft
Alstublieft, hier is uw jas.
anders
Anders dan de andere kinderen, houdt hij niet van snoep.
ei
Ik wil graag een ei bij mijn ontbijt.
fijn
Ik heb een fijne dag gehad.
goed
Ik voel me goed.
hoeveel
Hoeveel appels heb je gekocht?
iets
Ik wil iets eten.
jammer
Wat jammer dat je niet kunt komen.
kaas
Mag ik een plakje kaas op mijn brood?
kijken
Wij kijken naar de televisie.
mevrouw
Goedemorgen mevrouw, wat kan ik voor u doen?
mogen
Je mag niet roken in dit gebouw.
nemen
Ik neem een kopje koffie.
pinnen
Heb je contant geld of wil je pinnen?
verkoper
De verkoper hielp me bij het kiezen van een nieuwe telefoon.
zeggen
Kun je me zeggen hoe laat het is?
altijd
Zij draagt altijd een bril.
bakker
brood
Ik eet elke ochtend brood.
buurt
Ik woon in een rustige buurt.
duur
De kleding in die winkel is altijd zo duur.
goedkoop
Ik heb een goedkope fiets gekocht.
halen
Ik ga even koffie halen.
hier
Ik ben hier.
hoor
Ik ben morgen vrij, hoor.
kennen
Wij kennen elkaar van het werk
meestal
Meestal eet ik 's ochtends een boterham.
natuurlijk
Wil je naar de film gaan? Natuurlijk!
ochtend
Op zondagochtend gaan we altijd naar de markt.
soms
Ik eet soms vlees, maar meestal vegetarisch.
veel
Ik heb veel geleerd op school.
ver
De supermarkt is ver van mijn huis.
vers
De vis op de markt is altijd vers.
vragen
Mag ik je iets vragen?
wanneer
Wanneer gaan we naar de bioscoop?
welk
Welke kleur vind je mooi?
zien
Wij zien elkaar morgen.
denken
Denk je dat hij komt?
dicht
De deur is dicht.
fietsen
Wij gaan fietsen in het park.
keuken
Ik ben in de keuken bezig met koken.
laat
Het is nooit te laat om te leren.
leeg
Het huis is leeg.
liggen
Het boek ligt op de tafel.
openingstijden
De openingstijden van de supermarkt zijn van 8 uur 's ochtends tot 10 uur 's avonds.
’s avonds
's middags
Ik ga 's middags naar de supermarkt.
's morgens
's nachts
De winkels zijn 's nachts gesloten.
's ochtends
De kinderen gaan 's ochtends naar school.
snel
Ik loop snel naar de winkel.
uur
De film duurt twee uur.
weten
Ik weet het niet.
zak
Een zak aardappelen
alles
Hij heeft alles goed gedaan.
Beterschap
Beterschap, hopelijk voel je je snel weer beter.
bezig
Ik ben bezig met mijn huiswerk.
broer
Mijn broer is heel grappig.
daar
De supermarkt is daar.<trans>The supermarket is there.</trans>
druk
Ik voel veel druk om te presteren op mijn werk
een beetje
Ik spreek een beetje Nederlands.
eindelijk
Eindelijk is het weekend!
Ik heb je zoon gisteren ontmoet en hij begroette me beleefd.
groet
Gisteren heb ik je zoon ontmoet en hij heeft me beleefd gegroet.
lekker
De taart is lekker.
lopen
Ik loop naar school.
moeder
Ik bel mijn moeder elke dag.
morgen
Morgen is het zondag.
paracetamol
prima
Prima idee!
steeds
Hij blijft steeds dezelfde fout maken.
vervelend
Het is vervelend dat het regent.
vriend
Zij is mijn beste vriendin.
vriendin
Ik ga vanavond iets leuks doen met mijn vriendin.
waarom
Waarom ben je te laat?
warm
De zon schijnt en het is warm buiten.
weer
Hoe is het weer vandaag?
worden
Hij wordt morgen 18 jaar.
ziek
Hij voelt zich ziek.
zo
Ik ga naar de winkel, zo kan ik brood kopen.
zon
De zon gaat onder om 8 uur 's avonds.
zus
Heb je mijn zus ontmoet? Ze is erg aardig.
alweer
Ik ben alweer te laat.
naam , werkwoord
bezoek
Wij hebben bezoek van vrienden.
binnenkomen
Wanneer komen jullie binnen?
drinken
Hij heeft gisteren te veel gedronken.
eruitzien
Je ziet er moe uit.
geven
Ik geef je een cadeau.
heel
Ik ben heel blij.
horen
Ik hoor de vogels zingen.
huilen
Ik huil omdat ik verdrietig ben.
jas
Heb je je jas al aangetrokken?
jongen
De jongen speelt met zijn bal.
klein
Zij draagt een klein jurkje.
koffie
Ik heb koffie nodig om wakker te blijven.
lachen
Zij lachen samen.
lief
Mijn hond is heel lief.
melk
Ik koop een pak melk in de supermarkt.
moe
Na het sporten ben ik altijd moe.
slapen
Zij slapen altijd vroeg omdat ze vroeg opstaan.
suiker
Ik gebruik suiker om mijn thee zoeter te maken.
thee
De thee is nog te heet om te drinken.
zelf
Jij moet het zelf beslissen.
zitten
Ik zit op de stoel.
zonder
Zij kan niet leven zonder haar telefoon.
zwart
Hij ziet zwart van de rook. He looks black from the smoke.
avond
Gisteravond heb ik met vrienden gegeten.
beginnen
Zij begint volgende week met haar nieuwe baan.
begrijpen
Ik begrijp de vraag niet.
bellen
Hij belt zijn moeder elke dag.
bier
blijven
Blijf rustig, alles komt goed.
deze
Deze boeken zijn interessant.
die
Die man is mijn vader.
echt
Ik ben echt blij om je te zien.
genoeg
Ik heb genoeg geld.
gezellig
Deze kamer is echt gezellig met al die kaarsen.
keer
Ik ben hier al vijf keer geweest.
later
Op een later tijdstip zullen we de details bespreken. We will discuss the details at a later date
lawaai
Het lawaai van de bouwplaats hield me de hele nacht wakker. The noise from the construction site kept me awake all night.
luisteren
De leraar vraagt ons om goed te luisteren.
rustig
Ik voel me rustig als ik in de natuur ben
uitnodigen
Ik wil je uitnodigen voor mijn verjaardagsfeestje.
vakantie
Ik heb twee weken vakantie in augustus.
voetbal
vrijdag
Ik heb vrijdag vrij.
weg
Hij loopt weg van het huis.
afgesproken
Ik heb met mijn vriend afgesproken om vanavond naar de film te gaan.
afspraak
Laten we een afspraak maken om elkaar volgende week te ontmoeten.
baan
Ik wil graag een carrière maken in de marketing.
bericht
De school heeft een bericht gestuurd naar alle ouders.
blij
Zij is altijd blij als ze haar vrienden ziet.
februari
De Olympische Winterspelen vinden plaats in februari.
feestje
We hebben een feestje georganiseerd voor mijn verjaardag.
feliciteren
Wij feliciteren jullie met jullie huwelijk.
gauw
Laten we gauw beginnen voordat het te laat is.
gefeliciteerd
Gefeliciteerd met je diploma!
geleden
Ik ben twee weken geleden begonnen met mijn nieuwe baan.
januari
Januari is de maand van de goede voornemens. January is the month of good intentions.
adjectief
jarig
Wij gaan een cadeau kopen voor onze jarige vriendin.
klinken
De stem van de zanger klinkt als die van een engel.
krijgen
Zij krijgt een diploma na het afronden van haar studie.
misschien
Misschien ga ik vanavond naar de film.
net
Ik ben net terug van vakantie
nieuws
Ik lees elke ochtend het nieuws in de krant.
succes
Ik wens je veel succes met je sollicitatiegesprek. I wish you the best of luck with your job interview.
uitnodiging
Heb je de uitnodiging voor de bruiloft al gezien?
vanavond
Vanavond is er een feestje bij mij thuis.
zelfstandig naamwoord
verjaardag
Ik heb een cadeau gekregen voor mijn verjaardag.
volgend
Volgende week hebben we een belangrijke vergadering.
vergadering
We hebben een vergadering gepland om de nieuwe strategie te bespreken. We have scheduled a meeting to discuss the new strategy.
zeker
Ik heb zeker vertrouwen in jouw capaciteiten. I certainly have confidence in your abilities.
allerlei
Ik heb allerlei ideeën voor het feest.
boter
Mag ik een beetje boter bij de groenten?
fles
Een lege fles
gezond
Je moet genoeg slapen om gezond te blijven.
groot
De taart is groot genoeg voor iedereen.
klaar
Ben je klaar om te gaan?
koelkast
De koelkast is kapot, dus we moeten een nieuwe kopen.
langs
De trein rijdt langs het station.
meenemen
Neem jij je paspoort mee op reis?
moeten
Ik moet naar de supermarkt.
niks
Hij heeft niks gezegd.
nodig
Heb je <i>nodig</i> dat ik je naar huis breng?
over
We hebben het over het weer gehad.
pak
Ik heb een pakketje ontvangen.
soep
Wij eten vaak soep als voorgerecht.
staan
Ik sta op de bus te wachten.
straks
Ik ga straks naar de supermarkt.
toetje
Heb je nog ruimte voor een toetje?
ui
Ik heb een ui nodig voor het recept.
vinden
Zij vindt haar sleutels niet.
water
wijn
youghurt
zout
Ik heb zout nodig voor het recept.
avondeten
We zitten altijd samen aan tafel tijdens het avondeten.
boterham
Mijn moeder maakt altijd lekkere boterhammen voor de lunch.
broodje
Ik neem een broodje gezond met sla, tomaat en komkommer.
ding
Er is vanavond een leuk ding gaande in de stad.
doordeweeks
Doordeweeks zijn de winkels open tot 6 uur.
gek
Ik ben gek op chocolade.
havermout
jam
Heb je aardbeienjam of frambozenjam?
koud
Het is koud buiten.
lijken
Ze lijkt aardig.
lunchen
Zij luncht altijd met haar collega's.
Nederlander
noedels
nooit
Ik zal nooit meer te laat komen.
ontbijt
Op zondag houden we van een uitgebreid ontbijt met croissants en verse jus d'orange.
pasta
salade
sinaasappelsap
trein
Ik neem de trein naar Amsterdam.
tussen
De trein vertrekt tussen 10 en 11 uur.
vaak
Jan speelt vaak voetbal met zijn vrienden.
vanmiddag
Ik ga vanmiddag naar de bioscoop.
vegetariër
zoet
De taart is zoet.
advies
Ik ga naar de dokter voor medisch advies.
afvallen
bank
Er zit een oude man op de bank in het park.
bewegen
Je moet meer bewegen.
buik
Hij heeft een dikke buik.
cola
dik
Mijn kat is te dik.
frisdrank
Welke frisdrank vind jij het lekkerst?
gelijk hebben
Jurgen kan gelijk hebben, maar ze kunnen het niet bewijzen.urgen may be right, but we might not be able to prove it.
hamburger
ieder
Ieder kind krijgt een cadeau.
leven
Ik leef in Nederland.
minder
Deze auto is minder snel dan die andere.
ongezond
Ongezonde gewoontes kunnen leiden tot gezondheidsproblemen.
pakken
Ik pak de pen.
patat
probleem
Het probleem was te moeilijk voor mij om op te lossen. The problem was too difficult for me to solve.
snappen
Kun je het nog een keer uitleggen? Ik snap het niet helemaal.
toch
Ik heb het toch gezegd! I told you!
tussendoor
Is dit ons ontbijt, of een snack tussendoor? this our breakfast, or is this our snack between?
vet
Ik hou niet van vet eten.
werkwoord
wegen
Ik weeg 70 kilo.
weinig
Ik heb weinig energie vandaag.
afhalen
Ik ga mijn pakketje afhalen bij het postkantoor.
alle
Alle kinderen zijn welkom.
bestellen
Ik heb gisteren een boek besteld bij Bol.com.
bezorgen
De postbode bezorgt de pakketten.
bijvoorbeeld
Er zijn veel dingen die ik leuk vind, bijvoorbeeld reizen en koken.
buiten
De kinderen zijn buiten aan het voetballen.
daarom
Ik heb geen tijd om te gaan sporten, daarom ben ik niet fit.
zelfstandig naamwoord
haring
internationaal
Ik heb internationale ervaring.
land
Nederland is een klein land.
manier
Op deze manier gaat het niet werken.
mayonaise
mens
De mens is de enige diersoort die kan praten. Humans are the only animal species that can talk.
overal
Ik kan mijn sleutels nergens vinden, ik heb overal gezocht.
plaats
De kat zit op de plaats van de hond
proeven
Ik wil deze wijn proeven.
reserveren
Ik wil graag een tafel reserveren voor vanavond.
smaken
De soep smaakt goed.
stamppot
tafel
De kinderen spelen aan de tafel.
terras
typisch
Typisch Nederlands eten is stamppot.
verschillend
Er zijn verschillende soorten fruit op de markt.
vroeg
De winkel gaat vroeg dicht op zondag.
zoals
Ik hou van sporten zoals voetbal en tennis.
appartement
badkamer
Ik ga naar de badkamer om mijn tanden te poetsen.
betalen
Ik moet nog betalen voor mijn boodschappen.
centrum
delen
De leraar deelt de opdrachten uit aan de studenten.
eigen
Ik heb mijn eigen huis.
familie
De hele familie komt samen voor het kerstdiner.
gebruiken
Wij gebruiken de auto om naar het werk te gaan.
kijk naar dictionray
gezin
Mijn gezin is heel belangrijk voor mij.
hoog
Ik woon op de vijfde verdieping van een hoog gebouw.
huisgenoot
Mijn huisgenoot en ik delen de huurkosten.
huur
We hebben een contract getekend voor de huur van een kantoorruimte.
informatie
kamer
De slaapkamer is op de eerste verdieping.
maar
Ik wil graag naar de film, maar ik heb geen tijd.
plek
De plek waar ik ben opgegroeid.
rijtjeshuis
slaapkamer
Ik ga naar mijn slaapkamer om te slapen.
tuin
Onze tuin is heel groot.
verdieping
De vergadering vindt plaats op de vijfde verdieping.
vlakbij
Ik woon vlakbij het station.
wc
vrijstaand
vierkante meter
bed
Hij heeft een nieuw bed gekocht.
ervaring
Door mijn ervaring als leraar kan ik goed met kinderen omgaan.
hulp
De brandweer kwam snel ter plaatse om hulp te bieden bij de brand.
klussen
Ik heb een aantal klussen die ik moet doen voordat ik op vakantie ga.
kwijt
Ik ben mijn sleutels kwijt.
laag
De stem van de spreker was laag.
stem
Ik hoorde een vreemde stem in het donker.
langskomen
Ik kom vanmiddag even bij je langskomen.
meisje
Ik heb een afspraak met het meisje van de receptie.
mooi
Zij heeft een mooie jurk aan.
ongeveer
Vertel Tom alsjeblieft dat hij ongeveer dertig minuutjes moet wachten. Please tell Tom to wait for about thirty minutes.
ophalen
De vuilniswagen komt morgen het afval ophalen.
oppas
opruimen
We moeten de rommel in de garage opruimen.
rommel
Na het feest was het huis vol met rommel.
prijs
Ik heb de eerste prijs gewonnen!
schoonmaken
Zij schoonmaakt het huis elke week.
sleutel
Ik kan mijn fiets niet vinden, ik ben mijn sleutel kwijt.
spullen
Ik moet mijn spullen pakken voor de vakantie.
stoel
De stoelen in het restaurant zijn erg comfortabel.
student
tweedehands
Op Marktplaats kun je tweedehands spullen kopen en verkopen.
verhuizen
Wij zullen volgende week verhuizen.
verkopen
Zij verkoopt haar oude kleding.
zoeken
Hij heeft gisteren naar zijn telefoon gezocht.
belangrijk
Gezond eten is belangrijk voor je gezondheid.
blauw
De lucht is blauw.
donker
De kamer is te donker om te lezen.
iedereen
Iedereen moet zijn huiswerk maken.
kast
Ik heb een nieuwe kast gekocht voor mijn kleding.
kiezen
Heb je al een cadeau gekozen voor je moeder's verjaardag?
kleding
Ik draag graag comfortabele kleding.
kleur
Ik hou van felle kleuren.
felle
Een felle kleur
lade
Ik heb mijn sokken in de lade gelegd.
lamp
licht
Het licht gaat uit.
meubel
muur
De muur van het huis is gemaakt van baksteen.
baksteen
De bakstenen zijn rood van kleur.
onder
De kat zit onder de tafel.
raam
Sluit het raam alsjeblieft.
Sluit
ruimte
De ruimte is zo groot dat het moeilijk is om je voor te stellen.
stellen
Ik stel de boeken op de plank.
plank
tegen
Ik ben tegen het plan.
tip
vloer
De vloer is van hout.
hout
De tafel is gemaakt van hout.
vol
Ik ben vol, ik kan niet meer eten.
vooral
Ik hou vooral van Italiaans eten.
wit
De sneeuw is wit.
sneeuw
Het sneeuwt vandaag.
woning
De woning heeft drie slaapkamers.
woonkamer
De woonkamer is mooi ingericht.
ingericht
Ik heb mijn huis helemaal opnieuw ingericht.
zetten
Ik zet de bloemen op tafel.
zorgen voor
Ik zorg voor mijn zieke moeder.
allebei
Allebei de kinderen zijn ziek.
allemaal
Allemaal bedankt voor jullie hulp!
elkaar
Ze praten met elkaar over het feest.
geld
Ik heb al mijn geld uitgegeven aan vakantie.
gratis
Deze app is gratis te downloaden.
huren
We hebben een appartement gehuurd in Amsterdam.
lang
Hij is heel lang.
makkelijk
Het is makkelijk om Nederlands te leren.
meeste
De meeste kinderen zijn blij.
moeilijk
Het is moeilijk om een beslissing te nemen.
ouder
De ouder helpt het kind met huiswerk.
procent
Ik heb 50 procent korting gekregen op mijn aankoop.
sparen
Ik wil geld sparen voor mijn vakantie.
streng
De leraar is heel streng.
leraar
De lerares is erg vriendelijk.
studeren
Wij studeren elke dag voor onze examens.
naam
studie
Ik ben bezig met mijn studie.
uitstappen
Ik moet bij de volgende halte uitstappen.
halte
De tram stopt bij elke halte.
vrijheid
Ik hou van de vrijheid om mijn eigen keuzes te maken.
wachten
Wacht even, ik ben bijna klaar.
de was
Kun jij de was ophangen?
ophangen
De was hangt te drogen aan de waslijn.
drogen
Ik droog mijn kleren buiten.
de wasmachine
Ik heb een nieuwe wasmachine gekocht.
zelfstandig
Hij werkt zelfstandig aan zijn project.
de zomer
De zomer is mijn favoriete seizoen.
favoriet
Wat is jouw favoriete film?
de seizoen
aankomen
Ik kom morgen aan.
de aankomst
De aankomst van de trein is om 14:30 uur.
bedankt
Bedankt voor je hulp.
centraal
direct
Hij gaf direct antwoord op mijn vraag.
gelukkig
Gelukkig nieuwjaar!
de intercity
minuut
De wedstrijd duurt negentig minuten.
wedstrijd
De voetbalwedstrijd begint om 14:30 uur.
nergens
Ik kan mijn sleutels nergens vinden.
normaal
Ze gedraagt zich normaal gesproken heel rustig.
opletten
Je moet opletten dat je niet valt.
overstappen
Ik moet overstappen op het station.
reiziger
De reiziger nam de trein naar Amsterdam.
spoor
Ik volg het spoor naar het station.
volgen
Ik volg de instructies op.
de instructies
sprinter
het station
Hoe laat vertrekt de bus vanaf het station?
de tas
De tas is te zwaar om te dragen.
dragen
Ik draag een rode trui.
de telefoon
Ik heb mijn telefoon verloren.
verloren
Ik heb mijn sleutels verloren.
verbinding
Ik heb geen verbinding met het internet.
verstaan
Ik versta geen Nederlands.
vertraging
De trein heeft vertraging.
vertrek
Het vertrek van de trein is om 15:30 uur.
vertrekken
Ik vertrek morgen naar Spanje.
volgende
De volgende stap
stap
Ik zet een stap naar voren.
dochter
Mijn dochter is vijf jaar oud.
duidelijk
Kun je me duidelijk maken wat je bedoelt?
bedoelen
Wat bedoel je met deze zin?
de zin
Ik begrijp de zin niet.
eerst
Eerst ga ik naar de supermarkt en daarna naar huis.
eventueel
Je kunt eventueel ook met de trein gaan.
geloven
Ik geloof in jou.
het idee
Heb jij een idee hoe we dit probleem kunnen oplossen?
de kleren
De kleren zijn vies.
links
De supermarkt is links van het park.
linksaf
Neem de tweede straat linksaf.
mezelf
Ik kan mezelf niet voorstellen.
voorstellen
Mag ik me even voorstellen? Ik ben de nieuwe leraar Nederlands.
naartoe
Waar ga je naartoe?
de plattegrond
Heb je een plattegrond van de stad?
rechtdoor
Loop rechtdoor tot aan het einde van de straat.
de rechterkant
rechts
De winkel is rechts van het station
rechtsaf
Neem de tweede straat rechtsaf.
de route
De route naar het strand is erg mooi.
strand
Ik ga graag naar het strand in de zomer.
slim
De slimme oplossing voor dit probleem is om een ​​nieuwe machine te kopen.
het stuk
Ik heb het stuk van de puzzel gevonden.
tegenover
De bank zit tegenover de bibliotheek.
tekenen
Zij tekent graag bloemen.
terug
Ik moet terug naar de winkel om melk te kopen.
tijdje
Ik heb een tijdje geleden een nieuwe baan gevonden.
uitleggen
Kun je me uitleggen hoe dit werkt?
winkelen
Zij houdt van winkelen in de boetiekjes.
boetiekjes
de auto
We gaan met de auto op vakantie.
de bus
De bus vertrekt om 10 uur.
collega
Ik werk samen met mijn collega aan dit project.
docent
De docenten zijn erg betrokken bij de studenten.
betrokken
Zij is erg betrokken bij haar werk en haar collega's.
enorm
De olifant is enorm groot.
excuses
fiets
Mijn fiets heeft een lekke band.
file
Er staat een enorme file op de snelweg.
gewoon
Ik ben gewoon moe.
griep
Na een week griep voel ik me eindelijk beter.
helaas
Helaas moet ik morgen werken.
kantoor
Ik moet naar het kantoor om mijn contract te tekenen.
teken
Kun je een teken zetten op de kaart waar we moeten zijn?
de manager
De manager geeft leiding aan het team.
de leiding
De leiding van de school heeft een nieuwe regel ingevoerd.
na
Na het ontbijt ga ik naar school.
ongeluk
Er is een ongeluk gebeurd op de snelweg.
gebeuren
Wat is er gebeurd?
pas
Ik ben pas 10 jaar oud.
rijden
Ik rij naar mijn werk met de auto.
sturen
Ik stuur de bestelling vandaag nog op.
bestelling
Ik wil graag een bestelling plaatsen voor twee pizza's.
Plaatsen
de tram
Ik neem de tram naar het centrum.
de verhuizing
vriendelijk
Bedankt voor je vriendelijke hulp.
het werk
Hij heeft veel werk te doen.
de benzine
duren
Hoe lang duurt de film?
de halte
Ik moet bij de volgende halte uitstappen.
haten
Ik haat broccoli.
helemaal
Ik ben helemaal klaar voor de vakantie.
irritant
Deze geluiden zijn heel irritant.
geluid
Ik hoor een vreemd geluid.
vreemd
Deze smaak is vreemd.
kosten
De kosten van de boodschappen zijn gestegen.
gestegen
De prijzen zijn gestegen.
milieu
Het milieu is belangrijk voor onze gezondheid.
de nieuwsbrief
openbaar vervoer, het OV
Ik neem altijd het openbaar vervoer naar mijn werk.
parkeren
Ik parkeer mijn auto in de garage.
prettig
Ik vond het prettig om je te ontmoeten.
reistijd
het rijbewijs
Ik heb mijn rijbewijs gehaald!
de rit
De rit met de trein duurt ongeveer twee uur.
slecht
De film was slecht.
stoppen
Stop! Dat is gevaarlijk.
gevaarlijk
Deze weg is gevaarlijk om te fietsen.
het treinkaartje
zelfstandig naamwoord werkwoord
het verhaal
Ik heb het verhaal van mijn grootvader gehoord.
want
Ik ben moe, want ik heb slecht geslapen.
de winter
We gaan schaatsen in de winter.
schaatsen
Wij schaatsen elk jaar op de ijsbaan.
ijsbaan
de assistente
De assistente helpt de dokter met het onderzoek.
onderzoek
De politie doet onderzoek naar de oorzaak van de brand.
oorzaak
Ik heb hoofdpijn, ik denk dat het de oorzaak is van te weinig slaap.
brand
Er is brand in het gebouw.
behandelen
De dokter behandelt de patiënt.
patiënt
De patiënt moet regelmatig medicijnen innemen.
regelmatig
Zij heeft regelmatig contact met haar familie.
de dokter
Ik moet naar de dokter voor een controle.
de controle
Ik moet door de controle op het vliegveld.
vliegveld
We moeten vroeg opstaan, want onze vlucht vertrekt om 6 uur vanaf het vliegveld.
dubbel
Ik wil graag een dubbele espresso bestellen.
een paar
Een paar schoenen
ernstig
De patiënt heeft een ernstige ziekte.
ziekte
De ziekte is besmettelijk.
besmettelijk
De griep is besmettelijk.
de gegevens
De gegevens zijn vertrouwelijk en moeten goed beveiligd worden.
gesloten
De winkel is gesloten.
gezondheidszorg
huisarts
de huisartsenpost
de klacht
Ik heb een klacht over de service in dit restaurant.
kort
Hij bleef maar kort in Nederland.
blijven
Zij bleef haar hele leven vrijgezel.
praktijk
De advocaat heeft zijn eigen praktijk.
sommige
Ik heb sommige boeken gelezen.
de specialist
de spoed
Ik heb de spoed om mijn trein te halen.
de spoedgeval
het spreekuur
Ik wil graag een afspraak maken tijdens het spreekuur van de advocaat.
toetsen
Ik moet morgen een toets maken voor wiskunde.
de verwijzing
Een verwijzing naar de oogarts
via
Ik heb het nieuws via de radio gehoord.
het ziekenhuis
Na de operatie moet ik een paar dagen in het ziekenhuis blijven.
de operatie
brengen
Ik breng de boeken naar de bibliotheek.
de dag
De dag begint om zes uur 's ochtends.
eigenlijk
Eigenlijk heb ik geen tijd om te praten.
het geduld
Ik heb geen geduld meer.
de graad
Het is vandaag 20 graden.
hoesten
Ze hoestte zo hard dat ze bijna flauwviel.
keel
Ik heb last van mijn keel.
de keelpijn
koorts
Ik heb koorts en voel me niet lekker.
de lijn
mogelijk
Het is mogelijk dat het morgen gaat regenen.
het moment
het ogenblik
Op dit ogenblik ben ik niet beschikbaar.
beschikbaar
Deze informatie is beschikbaar op onze website.
opnieuw
Na de ruzie besloten ze om opnieuw te beginnen.
besloten
Het is een besloten feest, alleen genodigden zijn welkom.
overgaan
Ik ben blij dat ik ben overgegaan naar de volgende klas.
de pijn
De pijn van een gebroken hart is soms moeilijk te verdragen.
verdragen
Ik kan de kou niet verdragen.
spijten
Het spijt me dat ik te laat ben gekomen.
spreken
Zij spreekt vloeiend Engels.
vloeiend
Ik spreek vloeiend Nederlands.
vader
Mijn vader is heel lief.
vanzelf
De deur gaat vanzelf open als je ervoor staat.
verkouden
Hij is al een week verkouden.
verzetten
Ik moet mijn afspraak verzetten.
vrij
Morgen heb ik een vrije dag.
de apotheek
Ik moet naar de apotheek voor mijn medicijnen.
de medicijnen
de bijsluiter
Heb je de bijsluiter van de medicijnen gelezen?
de doos
De cadeautjes zitten in de doos.
de dosering
de drogist
Ik ga naar de drogist voor pijnstillers.
het gebruik
het huismerk
jong
Ik heb een jonge zus en een oudere broer.
de kant
De kat zit aan de kant van de tafel.
de leeftijd
Wat is jouw leeftijd?
luier
Ik moet een nieuwe luier voor de baby halen.
maximaal
De trein vertrekt over maximaal vijf minuten.
het medicijn
De dokter heeft me een medicijn voorgeschreven voor mijn rugpijn.
voorgeschreven
het merk
Het merk Nike is wereldwijd bekend.
wereldwijd
de milligram
naast
Ik woon naast de supermarkt.
de neus
Zijn neus is rood van de kou.
de neusspray
de pijnstiller
proberen
Ik ga proberen om op tijd te komen.
recept
Kun je me het recept geven?
de rug
Ik heb pijn in mijn rug.
verder
Ik heb geen vragen meer, dus kunnen we verder gaan.
verschil
Er is een groot verschil tussen deze twee auto's.
wakker
Ik ben wakker.
zoon
De zoon van mijn buurman is mijn beste vriend.
zwaar
De doos is zwaar.
alcohol
bewaren
Je moet de sleutels op een veilige plek bewaren.
de bijwerking
De bijwerkingen van dit medicijn kunnen misselijkheid en duizeligheid zijn.
misselijkheid
Veel zwangere vrouwen hebben last van ochtendmisselijkheid.
duizeligheid
boven
De bovenste plank is leeg.
het contact
Ik wil graag contact maken met nieuwe mensen.
erg
Ik ben erg blij met mijn nieuwe baan.
saai
De les was saai.
het glas
Het glas is gevallen en nu is het kapot.
hardlopen
Hardlopen is goed voor je gezondheid.
innemen
Je moet dit medicijn innemen met water.
de knie
De voetballer heeft zijn knie geblesseerd.
geblesseerd
laatst
Ik heb laatst een nieuwe fiets gekocht.
maal
Ik ben hier al 3 maal geweest
de maaltijd
We eten onze maaltijden altijd samen.
misselijk
Ik voel me misselijk.
de nacht
We hebben de hele nacht doorgebracht in het café.
doorbrengen
Wij hebben onze vakantie in Frankrijk doorgebracht.
de pil
Heb je de pil al gehaald bij de apotheek?
slaappil
stress
de tablet
tegelijk
Ik wil graag werken en studeren tegelijk.
de verpakking
Kun je de verpakking van de cadeaus inpakken?
inpakken
We moeten alle spullen inpakken voordat we gaan verhuizen.
de zwangerschap
de afwas
Ik moet de afwas nog doen.
bewoner
De bewoners van deze stad zijn erg vriendelijk.
boos
Ik ben boos op jou.
eerlijk
Hij is een eerlijke man.
het geluk
Ik wens je veel geluk met je nieuwe baan.
wens
Ik heb een wens.
de gewoonte
Het is een gewoonte geworden om elke ochtend koffie te drinken.
hetzelfde
Ik draag vandaag hetzelfde shirt als gisteren.
het huishouden
ideaal
Dit is mijn ideaal huis.
het leven
Hoe gaat het leven?
de muziek
De muziek op het feest was te luid.
luid
Hij praat altijd luid.
de omgeving
De omgeving van het kasteel is prachtig.
kasteel
oplossen
Ik moet dit probleem oplossen.
opschieten met
Je moet opschieten met je huiswerk, anders kom je te laat.
de rest
Ik heb al een stuk taart gehad, maar de rest is voor jou.
roken
Hij rookt al jaren.
ruzie
Ze hadden ruzie over wie de afwas moest doen.
schoon
Ik heb mijn kamer schoongemaakt.
serieus
Hij maakt altijd serieus werk.
sinds
Ik woon hier sinds vorig jaar.
uitgaan
Wij gaan vaak uit eten op zaterdagavond.
verdelen
Ik ga het geld verdelen onder de kinderen.
vies
De prullenbak ruikt vies.
prullenbak
ruiken
Ik ruik bloemen.
weleens
Heb je weleens sushi gegeten?
activiteit
begane grond
De receptie bevindt zich op de begane grond.
bevindt zich
de bibliotheek
Ik ga naar de bibliotheek om een boek te lenen.
lenen
Ik leen een boek van de bibliotheek.
buurtcentrum
de deelnemer
De deelnemers moeten zich aanmelden voor het evenement.
aanmelden
Ik wil me aanmelden voor de cursus Nederlands.
de groep
De groep vrienden gaat vanavond naar de bioscoop.
hoeven
iemand
Heeft iemand mijn telefoon gezien?
de ingang
De ingang van het park is gesloten.
de krant
Ik volg het nieuws via de krant online.
verpleegkundige
De verpleegkundige werkt in het ziekenhuis en zorgt voor de patiënten.
zorgen
Ik zorg voor mijn zieke oma.
zorg
Ik werk in de zorg.
medewerkster
oefenen
Wij oefenen Nederlands met onze leraar.
onderwerp
Het onderwerp van mijn presentatie is duurzaamheid.
duurzaamheid
De duurzaamheid van onze planeet is van groot belang.
belang
De belangen van de klant staan voorop.
voorop
klant
De klantenservice is bereikbaar van 9 tot 5.
organiseren
We moeten een vergadering organiseren om de plannen te bespreken.
bespreken
We moeten dit probleem bespreken.
precies
Ik weet precies waar het is.
het spelletje
De kinderen spelen buiten een leuk spelletje.
de taal
Ik spreek de taal niet.
taalcafé
de taalcoach
vanaf
Vanaf nu moet je beter opletten.
verschillen
Onze meningen verschillen over dit onderwerp.
mening
Wat is jouw mening over deze film?
voorbereiden
Ik moet me voorbereiden op mijn examen.
vrijwilliger
Ik ben vrijwilliger bij de voedselbank.
voedsel
De supermarkt verkoopt allerlei soorten voedsel.
soort
Een soort fruit
zich aanmelden
Zij meldt zich aan voor de cursus Nederlands.
cursus
De cursus begint volgende week.
de bioscoop
De bioscoop is elke dag geopend.
de boom
De boom staat in de tuin.
het buitenland
Mijn vriendin woont in het buitenland.
het cafe´
elke
Elk jaar vieren we Kerstmis.
vieren
Wij vieren Kerstmis met onze familie.
de film
De film begint om 20:00 uur.
de gang
Ik loop door de gang naar mijn kamer.
het gebouw
Het gebouw heeft veel ramen.
het grasveld
groen
De bomen zijn groen.
kletsen
Ik ga vanmiddag met mijn vriendin kletsen in het park.
de lift
Ik neem de lift naar de derde verdieping.
de metro
We moeten bij het volgende metrostation uitstappen.
missen
Ik heb de bus gemist.
het park
Ik ga graag wandelen in het park.
wandelen
Wij wandelen elke zondagochtend in het bos.
bos
Het bos is prachtig in de herfst.
herfst
In de herfst veranderen de bladeren van kleur.
veranderen
De wereld verandert snel.
blad
bladzijden
De krant van vandaag heeft 20 bladzijden.
de parkeerplaats
Ik heb mijn auto op de parkeerplaats gezet.
speeltuin
Ik ga met mijn kinderen naar de speeltuin.
spelen
Ik speel graag voetbal.
struik
De struik was bedekt met mooie bloemen.
bedekt
bedekken
Ik ga de tafel bedekken met een tafelkleed.
tevreden
Ik ben tevreden met mijn nieuwe baan.
het verkeer
Het verkeer op de snelweg staat vast.
vast
De tafel staat vast.
voetballen
Zij voetballen elke zaterdagochtend op het voetbalveld.
voetbalveld
We trainen elke week op het voetbalveld.
trainen
Ik train elke dag in de sportschool.
zoveel
Ik heb zoveel te doen vandaag.
bang
Ik ben bang voor spinnen.
spinnen
De spin spint een web.
blaffen
De hond blaft naar de postbode.
postbode
De postbode bezorgt de brieven en pakketjes.
brief
Ik heb een brief geschreven naar mijn oma.
de buurman
De buurman heeft mijn pakketje aangenomen.
het gedrag
Het gedrag van de kinderen was onacceptabel.
onacceptabel
het geluid
Ik hoorde een vreemd geluid in de nacht.
de hond
De hond van mijn buurman blaft altijd.
het huisdier
Veel mensen hebben een huisdier.
ineens
De muziek stopte ineens.
klagen
Ik klaag vaak over het weer in Nederland.
laten
Laat me met rust!
rust
Ik heb rust nodig na een lange dag werken.
oplossing
De oplossing van de puzzel was erg moeilijk.
overlast
De buren veroorzaken veel overlast met hun luide muziek.
veroorzaken
De fout veroorzaakte veel schade.
schade
De storm heeft veel schade veroorzaakt.
overleggen
Ik moet even overleggen met mijn collega's voordat ik een beslissing kan nemen.
beslissing
Ik moet een beslissing nemen over mijn carrière.
carrière
de schuld
Ik kan mijn schuld niet afbetalen
afbetalen
situatie
stinken
De kaas ruikt lekker, maar de vis stinkt.
trap
De trap is erg steil.
steil
De berg is steil.
berg
De berg is heel hoog.
uitlaten
Ik ga mijn hond uitlaten.
vuilniszak
waarschijnlijk
Ik ben waarschijnlijk te laat voor de vergadering.
wennen
Hij moet wennen aan het koude weer.
woningbouwvereniging
zielig
Ik vind het zielig dat hij geen vrienden heeft.
zomaar
Heb je zomaar een nieuwe auto gekocht?
aandoen
Ik doe mijn schoenen aan.
aantrekken
Ik trek mijn jas aan.
benieuwd
Ik ben benieuwd naar de uitslag van de wedstrijd.
de uitslag
Ik ben benieuwd naar de uitslag van mijn examen.
de blouse
Ik draag vandaag een witte blouse.
de broek
Ik draag een blauwe broek.
geel
Ik hou van geel.
de jurk
Ik heb een nieuwe jurk gekocht.
de kaart
Kun je me de menukaart geven?
lelijk
Die trui is echt lelijk.
lievelings
Wat is jouw lievelingsfilm?
beleid
Het bedrijf heeft een nieuw beleid geïmplementeerd.
nadenken
Ik moet even nadenken over je voorstel.
voorstel
Heb je nog een voorstel voor het weekend?
niets
Niets is onmogelijk.
onmogelijk
Het is onmogelijk om zonder water te leven.
het overhemd
Hij heeft een nieuwe collectie overhemden gekocht.
collectie
het pak
Ik moet een nieuw pak kopen voor de bruiloft.
bruiloft
Heb je al plannen voor je bruiloft?
prachtig
Wat een prachtig uitzicht!
uitzicht
Vanaf de top van de berg heb je een prachtig uitzicht over de vallei.
vallei
rood
Ik heb een rood shirt aan.
roze
Zij heeft een roze huidskleur.
huidskleur
de schoen
Ik heb nieuwe schoenen gekocht.
de spijkerbroek
Waar kan ik een goede spijkerbroek kopen?
trouwen
Ik wil trouwen met mijn vriendin.
de trui
Deze trui is te groot voor mij.
uitgeven
Ik geef te veel geld uit aan kleding.
aanbieding
Deze week hebben we een speciale aanbieding op onze producten.
speciale
de aankoop
Ik heb gisteren een nieuwe fiets als aankoop gedaan.
algemeen
De algemene regel is dat je niet mag roken in het gebouw.
lijn
Ik neem altijd lijn 5 naar mijn werk.
het bankafschrift
bepaald
Ik heb een bepaald gevoel dat er iets mis is.
gevoel
Ik heb een goed gevoel over deze beslissing.
binnen
Hij komt binnen vijf minuten.
contant
Deze winkel accepteert alleen contant geld.
accepteren
Ik accepteer de uitnodiging.
de garantie
De garantie op dit apparaat is twee jaar.
houden
Ik houd een boek vast.
kapotgaan
kassabon
Ik wil graag mijn geld terug, hier is de kassabon.
klantenservice
namelijk
Ik hou van sporten, namelijk voetbal en tennis.
origineel
pinpas
Ik controleer mijn saldo met mijn pinpas.
controleren
De leraar controleert de antwoorden van de leerlingen.
saldo
Wat is het saldo op mijn bankrekening?
bankrekening
Ik heb een bankrekening bij de Rabobank.
het product
de reparatie
ruilen
Ik wil graag mijn boek ruilen met jouw tijdschrift.
tijdschrift
Ik lees graag tijdschriften over mode en lifestyle.
de tegoedbon
Ik heb een tegoedbon gekregen voor mijn verjaardag.
telefonisch
terugstorten
Ik zal het geld terugstorten op uw rekening.
rekening
Ik wil mijn rekening controleren.
terugkrijgen
Ik wil mijn boek terugkrijgen.
terugsturen
Ik moet deze brief terugsturen naar de afzender.
de afzender
de tijd
Hoe laat is het? - Het is tijd om te gaan.
de voorwaarde
De voorwaarde voor deelname is dat je minimaal 18 jaar oud bent.
deelname
het aantal
Het aantal mensen dat naar de film ging, was hoog.
het argument
Ik heb een goed argument om mijn standpunt te ondersteunen.
standpunt
ondersteunen
Ik wil je graag ondersteunen bij het leren van Nederlands.
bekijken
Hij bekijkt de foto's op zijn telefoon.
de beoordeling
De beoordeling van de studenten wordt gebaseerd op hun prestaties tijdens het semester.
de rechter
De rechter heeft een belangrijke beslissing genomen.
de zaak
De zaak is nog in behandeling.
behandeling
De behandeling van de patiënt duurde twee uur.
betrouwbaar
Ik vind hem heel betrouwbaar.
het boek
Ik heb een nieuw boek gekocht
gaaf
Ik heb een gaaf idee voor ons schoolproject.
inderdaad
Heb je gisteren die film gezien? - Inderdaad, ik heb hem gezien.
de kwaliteit
De kwaliteit van dit product is uitstekend.
uitstekend
De presentatie van de student was uitstekend.
presentatie
de laptop
letten op
Let goed op tijdens de les.
minstens
Ik moet minstens 8 uur per nacht slapen.
noemen
De leraar noemde de namen van de studenten op.
nogal
De film was nogal saai.
opruiming
de rotzooi
Ik moet mijn kamer opruimen, het is echt een rotzooi.
stukgaan
twijfelen
Wij twijfelen aan zijn verhaal.
verhaal
Heb je het verhaal van de drie biggetjes gehoord?
verdienen
Ik verdien geld met mijn baan.
de vinger
Ik heb mijn vinger gesneden.
snijden
Ik snijd de groenten voor de soep.
waar
Waar ben je?
afgeven
Ik moet deze brief afgeven bij de receptie.
het artikel
Hij heeft een interessant artikel geschreven.
dichtmaken
inloggen
juist
Ik heb juist genoeg geld bij me.
klikken
Kun jij op de knop klikken?
knop
De knop van mijn jas is eraf gevallen.
leggen
Ik leg de boeken op de tafel.
de locatie
We moeten de locatie van de vergadering nog bepalen.
de maat
Wat is de maat van deze schoenen?
ontvangen
Ik heb een brief ontvangen van mijn vriend.
de order
het pakket
plakken
Ik ga de poster op de muur plakken.
de reden
De reden waarom ik niet kan komen is omdat ik ziek ben.
retour
Heb je een enkele reis of een retour geboekt?
reis
Ik heb een reis geboekt naar Thailand.
de sok
Ik draag graag warme sokken in de winter.
de stap
Na het behalen van mijn diploma, was het tijd voor de volgende stap.
de sticker
het totaal
verkeerd
De spelling in deze zin is verkeerd.
vervolgens
Ik heb eerst mijn huiswerk gemaakt, vervolgens ben ik gaan sporten.
het verzendbewijs
verzenden
Heb je het pakket al verzonden?
wachtwoord
Wat is je wachtwoord?
de webwinkel
aanrijden
Ik rijd naar huis aan.
de agent
De agent houdt het verkeer tegen.
verkeer
De politie controleert het verkeer op snelheidsovertredingen.
snelheidsovertredingen
overtredingen
belachelijk
Die grap is belachelijk.
beloven
Ik beloof te komen.
de boete
Als je de boete niet op tijd betaalt, kan het bedrag hoger worden.
dezelfde
Deze auto is dezelfde als die daar.
de fietser
het fietspad
Het is verboden om met de auto op het fietspad te rijden.
verboden
Roken is verboden
de haast
Ik heb haast, want ik moet de trein halen.
de helm
De motorrijder droeg een stevige helm voor zijn eigen veiligheid.
stevige
Een stevige tafel
veiligheid
De veiligheid van de passagiers is onze hoogste prioriteit.
prioriteit
passagiers
identiteitsbewijs
onderweg
Ik ben onderweg naar huis.
onveilig
Ik voel me onveilig in deze omgeving.
omgeving
Ik woon in een rustige omgeving.
de politie
De politieagent heeft me geholpen.
de regel
De regel van het Nederlands is dat het lidwoord bij het zelfstandig naamwoord hoort.
lidwoord
zelfstandig naamwoord
de scooter
de stoep
De kinderen spelen op de stoep.
het stoplicht
Het stoplicht staat op rood.
tegenwoordig
Tegenwoordig is het heel normaal om online te winkelen.
uitkijken
Je moet uitkijken met die scherpe messen.
de uitzondering
De meeste mensen houden van warm weer, maar ik ben de uitzondering.
veilig
Deze buurt is veilig.
de voetganger
De voetgangers wachten geduldig bij het zebrapad.
geduldig
Zij is heel geduldig met kinderen.
het zebrapad
Ik steek altijd over bij het zebrapad als ik naar school ga.
de arm
Ik heb mijn arm gebroken.
arm
De arme man heeft geen geld voor eten.
het been
De tafel heeft vier benen.
breken
Hij breekt zijn arm.
dagelijks
De krant verschijnt dagelijks.
verschijnen
De nieuwe aflevering van de serie verschijnt morgen op televisie.
aflevering
Ik heb gisteren de nieuwe aflevering van mijn favoriete serie gekeken.
douchen
Ik douche elke ochtend.
het fornuis
Het fornuis is kapot.
fout
Je hebt een fout gemaakt in de spelling.
gewond
De man is gewond geraakt bij het ongeluk.
geraakt
De auto is geraakt door een andere auto.
de hand
Ik schudde hem de hand.
heet
Mijn koffie is nog heet.
het mes
Ik heb een mes nodig om het brood te snijden.
ondertussen
Ondertussen ben ik al begonnen met koken.
onhandig
Ik ben zo onhandig, ik laat altijd alles vallen.
vallen
De appel valt van de boom.
de oorzaak
De oorzaak van de ziekte is nog niet bekend.
bekend
Ik ben bekend met deze regels.
overlijden
Het overlijden van de koningin werd bekendgemaakt op televisie.
bekendgemaakt
de pan
Ik heb een nieuwe pan gekocht.
het schoonmaakmiddel
schrikken
Ik schrik van harde geluiden.
uitzetten
Ik zet de televisie uit.
de televisie
De televisie staat aan.
verbranden
Ik heb mijn hand verbrand aan de hete pan.
voorkomen
Ik wil voorkomen dat hij te laat komt.
weggaan
Wanneer ga je weg?
actie
We moeten actie ondernemen om het probleem op te lossen.
ondernemen
Hij heeft een echte ondernemersgeest.
de basisschool
het einde
We zijn bijna aan het einde van het schooljaar.
de handteening
de handtekening
Ik moet mijn handtekening zetten onder dit contract.
hard
Het is hard werken.
een heleboel
Er zijn een heleboel mensen op straat.
hopen
Wij hopen dat jullie snel langskomen.
kapot
De schoenen zijn helemaal kapot.
de kilometer
het kruispunt
Het kruispunt is erg druk tijdens de spits.
spits
De toren heeft een spits dak.
toren
dak
De zon schijnt op het dak.
schijnen
Het schijnt mooi weer te worden.
langzaam
De trein rijdt langzaam.
neerzetten
Hij heeft de vaas op de vensterbank neergezet.
vensterbank
vaas
de overkant
De boot brengt ons naar de overkant van de rivier.
de boot
Ik ga vandaag met de boot varen.
de rivier
De rivier stroomt naar de zee.
stromen
Het water stroomt snel.
oversteken
Ik steek over naar de overkant van de straat.
de radio
Ik luister graag naar de radio in de ochtend.
repareren
Ik moet mijn fiets repareren.
de snelheid
toen
Toen ik jong was, speelde ik vaak buiten.
de verlichting
De verlichting had een grote invloed op de Europese samenleving.
invloed
De invloed van zijn ouders was groot.
vorig
De vorige eigenaar van het huis was erg vriendelijk.
eigenaar
De eigenaar van het bedrijf heeft veel ervaring.
bedrijf
Ik wil graag een eigen bedrijf starten.
de weg
Ik woon aan de weg naar het strand.
het strand
We hebben een mooie wandeling gemaakt op het strand.
wandeling
Na het eten maken we altijd een korte wandeling.
de wijk
Ik woon in de wijk Centrum.
zwanger
Zij is al vier maanden zwanger.
binnenkort
De nieuwe film komt binnenkort uit.
het alarmnummer
de ambulance
Bel de ambulance! Er is iemand gewond.
brandweer
De brandweer heeft de brand geblust.
blussen
Ik blus de brand.
daarna
We gaan eerst lunchen en daarna een wandeling maken.
de deur
De deur staat op een kier.
kier
de dief
De dief heeft mijn portemonnee gestolen.
portemonnee
Ik heb mijn portemonnee verloren.
de getuige
De getuige heeft belangrijke informatie over de zaak.
het geweld
De politie heeft het geweld proberen te stoppen.
de inbreker
de jongere
melden
Ik moet me melden bij de receptie.
de melding
meteen
Zij begon meteen te lachen.
het noodgevel
de pagina
het politiebureau
De politie heeft het politiebureau verlaten om naar de plaats delict te gaan.
delict
het slot
We hebben een rondleiding gekregen in het slot van Versailles.
rondleiding
stelen
Zij stelen geld uit de kassa.
het team
Het voetbalteam traint elke woensdagavond.
de veilighied
vertrouwen
De klant moet het bedrijf kunnen vertrouwen.
waarschuwen
Ik wil je waarschuwen voor het gevaar.
gevaar
Er is gevaar op de weg.
turnen
afdoen
Ik doe mijn jas af.
föhnen
agenda
Heb je je agenda bij je? We moeten een vergadering plannen.
als
Ik ben sneller als jij.
behoorlijk
Ik vind het behoorlijk vervelend dat je te laat bent.
binnenkort
Binnenkort ga ik op vakantie.
gelijk
De twee stoelen zijn gelijk.
heerlijk
Ik heb heerlijk geslapen.
hockey
lastig
Het is lastig om Nederlands te leren.
meegaan
Wil je met me meegaan naar de stad?
omdat
Wij gaan naar het strand <b>omdat</b> het mooi weer is.
plezier
De kinderen hebben veel plezier in het zwembad.
sauna
sowieso
Sowieso is het belangrijk om genoeg water te drinken.
speciaal
Ik heb een speciale aanvraag voor mijn dieet.
strand
Ik ga graag naar het strand in de zomer.
trainen
Ik train elke dag in de sportschool.
training
veld
Hij speelt voetbal op het veld.
volwassene
Deze film is alleen geschikt voor volwassenen.
geschikt
Deze schoenen zijn niet geschikt voor wandelen in de bergen.
bergen
Zij bergt haar speelgoed op na het spelen.
voorlopig
Ik ben voorlopig in Nederland.
wandelen
Ik wandel graag in het park.
wedstrijd
Ik ga naar de wedstrijd vanavond.
zwembad
Er is een overdekt zwembad in het centrum van de stad.
overdekt
zwemmen
Zij zwemt elke ochtend in het zwembad.
bedenken
Ik moet een cadeau bedenken voor mijn moeder.
bovendien
Bovendien heb ik geen tijd om te komen.
durven
Ik durf niet te zwemmen in de zee.
egoïstisch
Je moet niet zo egoïstisch zijn en ook aan anderen denken.
het examen
Heb je het examen gehaald?
het excuus
kwaad
Ik ben kwaad op jou.
liegen
Ik lieg soms om uit een moeilijke situatie te komen.
logeren
Wij logeren in een hotel tijdens onze vakantie.
moeite
Ik heb moeite met Nederlands spreken.
neef
Mijn neef is jarig vandaag.
nicht
Ik ga vanmiddag met mijn nichtje naar de speeltuin.
ontdekken
We hebben een verborgen schat ontdekt.
verborgen
Er zit een verborgen schat in de tuin.
schat
De schatkaart leidt ons naar de verborgen schat.
oppassen op
het plan
Het plan is om morgen naar het strand te gaan.
reizen
Ik reis graag naar het buitenland.
schoonouders
smoes
Stop met smoesjes verzinnen en kom gewoon eerlijk uit voor je fouten.
verzinnen
Hij heeft een smoesje verzonnen om niet naar de vergadering te hoeven.
hoeven
vast
De muur is van vast beton gemaakt.
vriendschap
waarheid
De waarheid is soms moeilijk te accepteren.
zwager
afgesproken
Ik heb met mijn vriend afgesproken om vanavond naar de film te gaan.
de bar
de bardienst
beurt
Mag ik ook een beurt?
dienst
Mijn vader heeft een nieuwe dienst gevonden bij een bank.
herfst
Ik ga graag wandelen in het bos tijdens de herfst.
hierheen
Kom hierheen, ik heb iets voor je.
hoezo
Hoezo ga je niet mee naar de film?
kantine
Ik ga naar de kantine om een broodje te kopen.
oom
Oom Peter is mijn favoriete oom.
overnemen
De nieuwe eigenaar heeft het pand overgenomen.
pand
Hij heeft een pand gekocht in het centrum van de stad.
regen
Het regent vandaag.
rooster
Heb je het rooster voor deze week al gezien?
het schoolplein
super
Tante
Mijn tante woont in Amsterdam.
tentoonstelling
De tentoonstelling is geopend van dinsdag tot en met zondag.
vereniging
Ik ben lid van een vereniging voor amateurfotografen.
vieren
De stad viert elk jaar Koningsdag met een grote parade.
vrijwilligerswerk
wind
Ik moet mijn horloge opwinden.
horloge
Ik draag altijd een horloge.
zonde
Het eten van te veel snoep is een zonde.
aflopen
De garantie van mijn telefoon is afgelopen.
bedrijf
Hij werkt bij een groot bedrijf.
behalve
Behalve jij en ik, gaat niemand naar de vergadering.
Christelijk
de datum
Wat is de datum vandaag?
enzovoort
Ik hou van sporten zoals voetbal, tennis, zwemmen, enzovoort.
Europese
Hemelvaart
Met Hemelvaart gaan we vaak wandelen in de natuur.
herdenken
Kerst
We wensen elkaar een fijne Kerst.
koning
De koningin en de koning zijn getrouwd.
Koningsdag
Op Koningsdag dragen veel mensen oranje kleding.
het midden
Ze koos voor een compromis in het midden.
het noorden
De wind komt uit het noorden vandaag.
officieel
De Olympische Spelen zijn officieel geopend door de koning.
de oorlog
De Tweede Wereldoorlog duurde van 1939 tot 1945.
optreden
De minister-president zal morgen optreden in een televisieprogramma.
oranje
De Nederlandse vlag heeft drie kleuren: rood, wit en blauw, en oranje is de kleur van het Koninklijk Huis.
oud en nieuw
Pasen
De kinderen zoeken paaseieren met Pasen.
Pinksteren
Op Tweede Pinksterdag gaan we traditioneel picknicken in het park.
de regio
respect
de scholier
De scholier leert Nederlands.
slachtoffer
De politie heeft het slachtoffer geholpen.
stil
De klas is stil.
de traditie
het voorjaar
Ik kijk uit naar het voorjaar, want dan wordt het weer warmer.
het zuiden
Ik ga op vakantie naar het zuiden van Frankrijk.
gewend
Ik ben gewend aan het Nederlandse klimaat.
aardrijkskunde
Aardrijkskunde helpt ons de wereld beter te begrijpen.
bedrag
Wat is het bedrag dat je wilt lenen?
biologie
bouwen
De architecten bouwen een brug over de rivier.
eerder
Deze taart is lekkerder dan de taart die we eerder hadden.
Engels
Engels is een belangrijke taal in de zakenwereld.
geschiedenis
De geschiedenis van Nederland is erg interessant.
gymnastiek
klas
Wiskunde is mijn favoriete klas.
knutselen
Op de knutseltafel liggen allerlei materialen om mee te knutselen.
de leerling
De leerling heeft zijn huiswerk gemaakt.
lokaal
meester
Meester Jansen is een ervaren timmerman.
omgaan met
Ik kan goed omgaan met stress.
ontwikkeling
Er zijn veel nieuwe ontwikkelingen op het gebied van technologie.
de pauze
Na twee uur les hebben we een pauze van 15 minuten.
prestatie
De prestaties van het bedrijf zijn dit jaar beter dan vorig jaar.
rekenen
Ik moet rekenen om het antwoord te vinden.
religie
Religie speelt een belangrijke rol in haar leven.
rennen
Hij rent elke ochtend in het park.
schoolreisje
uitstapje
Heb je zin in een uitstapje naar het strand?
uniform
het vak
Welk vak vind je het leukst?
verplicht
Het dragen van een mondkapje is verplicht in het openbaar vervoer.
de advocaat
Ik heb een afspraak met mijn advocaat om mijn zaak te bespreken.
de automonteur
het beroep
Mijn beroep is leraar.