mieDutch words

boos
ober
ziekenhuis
serveerster
langzamer spreken
rekening
het dorp
ik woon aan via maragliano
ik woon op nummer 15
het gezicht
na
hij is bij haar
bijna
naast
over
tegen
hij loopt door het huis
hoewel
Hoewel het regent, gaan we toch naar buiten.
tijdens
iedereen
geef een kus aan het meisje
loggen op de kast
de portemonnee
ik heb niet meer nodig
buur
boer
vuur
net
Ik ben net terug van vakantie
bruin
elke
kleurrijk
zonder
de regenboog
boven
vrolijk
waneer ben je jaarig
ik trakteer
het feest
vieren
zoals
meestal
zelden
vaak
beleg
wie
waar
om
ik ga om mandag
gisteren
morgenavond
vandaag
morgen
eergisteren
overmorgen
naar
stel een vraag
waarvan
ik denk aan je
hij wordt vader
ze heeft hen nodig
wiens
een douche nemen
opstaan
naar het werk gaan
wakker worden
Na het wakker worden sta ik altijd meteen op.
om 7 uur sta ik op
tanden poetsen
ik sta altijd om 7 uur op
vroeg
altijd
nooit
hoe vaak
meer
Ik wil veel meer dan dat.
derde
tweede
eerste
vierde
laatste
we blijven rustig
Ik heb weinig voedsel nodig
hoeveelheid brood
maar slechts twee
nog (2 betekenis)
de hagel
trokken
afval
prinses
toen
allermeest, dit boek is allermeest populair onder jongeren.
nog steeds
volgende week
vorige week
zo meteen
Ik kom zo meteen naar je toe.
op dit moment
voor
tenzij
terwijl
totdat
zodat
doordat
zodra
voordat
we hebben zowel witte als rode wijn
de doos
vergeten
haardroger
de reden
eerlijk
het gebouw
de dood
lui
de adem
de bezoeker
De glimlach
Lukt het
afspreken
bezoeken
stom
saai
het ligt
de deken
zetten
zien
zeggen
leggen
liggen
stop in de doos
de mand
de manden
op tijd zijn
kom binnen
te laat zijn
het koekje
je bent mooi op tijd
jeetje
amai
heerlijk
elftal
de wedstrijd
ga schaatsen
ik doe aan yoga
ik kan, jij kunt, zij kan, wij kunnen
de gevangenis
het plein
de hoek
het strand
ergens
Mijn vriend is behoorlijk knap
Hij is ongeveer de beste gozer die in Nederland rondloopt
Ik ben er geweest
Mijn vriendje is erg bekwaam
u kunt gewoon nederlands praten hoor
ik versta u prima
ieder pak is duur
iedereen slaapt
kent iemaand de jongen
de bomen staan in het park
ik lig, jij ligt, zij ligt, wij liggen
ik zeg de auto over de boom
Ik zet de auto onder een boom
de doos zit vol
wat zet je op het menu
de hond zit voor het boek
de hond is weg
al
eindelijk
het is nergens koud
niets
geen enkel dier
we gaan nog niet naar huis
uitzicht
hij bekijkt me
lijk ik op haar
lawaai
het geluid
de stem
de koffer
ik moet meenemen
sowieso
fototoestel
de oplader
OPLA' der
Het hotel: dit hotel, dat hotel
De gracht: deze gracht, die gracht
gracht
voorwerp
de lade zit vol
het bureau
het gordijn
vanwege
de laken
un lago di piscia
het kussen
de bezem
goor
De vloer is goor.
ik ben gek op koken
zorgen voor haar
de heuvel
de berg
het meer
de rivier
de woestijn
het platteland
de inwoners
de zorg
de lichaamsdelen
pakken
kiezen
volgen
tonen
haalten
Wie haalt vandaag koffie voor ons?
duwen
Ik wil niet dat je mij duwt.
de zeep