Nederlandse InGang A1-A2Dutch words
behandelen
Hij weet niet hoe hij deze situatie moet behandelen.
ernstig
We moeten dit probleem ernstig nemen.
de gegevens
De gegevens zijn niet compleet.
de gezondheidszorg
de klacht
Ik heb een klacht over de service in dit restaurant.
kort
De film was kort.
het onderzoek
Het onderzoek heeft interessante resultaten opgeleverd.
sommige
Ik heb sommige boeken al gelezen.
de spoed
We moeten met spoed naar het ziekenhuis.
het spoedgeval
Er was een spoedgeval in het ziekenhuis.

het spreekuur
Ik ga naar het spreekuur van de dokter.
toetsen
Ik moet voor mijn examen toetsen.
de verwijzing
Bij het schrijven van een essay is het belangrijk om elke verwijzing correct te maken.
brengen
Kun je de boeken naar de bibliotheek brengen?
het geduld
Hij heeft veel geduld met kinderen.
de graad
Hij heeft zijn graad in de geneeskunde behaald.
hoesten
Hij hoestte de hele nacht door.
de lijn
Ik sta in de lijn voor de kassa.
mogelijk
Het is mogelijk dat het morgen regent.
het ogenblik
Ik wacht op het ogenblik dat je arriveert.
overgaan
De seizoenen gaan over van winter naar lente.
spijten
We spijten dat we de afspraak hebben gemist.
vanzelf
Als je goed oefent, komt het vanzelf.
verkouden
Hij is verkouden en kan niet naar school.
verzetten
Ik moet de afspraak verzetten.
de bijsluiter
Ik heb de bijsluiter van het medicijn gelezen.
de doos
Kun je de doos voor mij openen?
het gebruik
In Nederland is het gebruik van fietsen heel normaal.
de kant
Ik sta aan de kant van de weg.
de leeftijd
Hoe oud ben je? Wat is je leeftijd?
de luier
Ik moet de luier van de baby verschonen.
het merk
Ik koop altijd producten van dat merk.
de rug
Ik heb pijn in mijn rug.
verder
We moeten verder gaan met het project.
het verschil
Wat is het verschil tussen een kat en een hond?
wakker
Ben je al wakker?
zwaar
Deze doos is zwaar.
bewaren
Ik wil deze foto bewaren.
de bijwerking
Het is belangrijk om de bijwerkingen van medicijnen te begrijpen.
de borstvoeding
De borstvoeding is belangrijk voor de gezondheid van de baby.
boven
De lamp hangt boven de tafel.
erg
Het is erg koud vandaag.
innemen
Ik moet mijn medicijnen innemen.
laatst
Wat is het laatst nieuws?

maal
We gaan vanavond uit eten voor een speciaal maal.
misselijk
Ik voel me misselijk na het eten van die oude vis.
tegelijk
Ik eet en kijk tegelijk televisie.
de verpakking
De verpakking van het product is erg mooi.

de zwangerschap
Ze is in haar derde maand van de zwangerschap.
aankomen
De trein komt om drie uur aan.
de aankomst
De aankomst van de trein is vertraagd.
gelukkig
Ik voel me gelukkig vandaag.
geluk
Hij heeft geluk gehad met zijn examen.
opletten
Je moet opletten tijdens de les.
overstappen
We stappen over op de bus naar Amsterdam.
de verbinding
Ik heb geen verbinding met het internet.
de vertraging
De trein heeft een vertraging van twintig minuten.
het vertrek
Het vertrek van de trein is om 10 uur.
vertrekken
Wij vertrekken morgen naar Amsterdam.
halen
Ik ga de bal halen.
pakken
Ik ga de bal pakken.
ongelooflijk
Het is ongelooflijk hoe snel hij kan rennen.
duidelijk
Het is duidelijk dat hij moe is.
eventueel
We kunnen eventueel later afspreken.
geloven
Wij geloven dat alles goed komt.
linksaf
Ga linksaf bij het kruispunt.
naartoe
Hij loopt naartoe het park.
de plattegrond
Waar is de plattegrond van het museum?
rechtdoor
Neem de eerste straat rechtdoor.
slim
Hij is een slim kind.
tegenover
Het café ligt tegenover de bibliotheek.
tekenen
In de klas leren we tekenen.
de tekening
Ik heb een mooie tekening gemaakt.
terug
Ik ga terug naar huis.
het tijdje
Het duurt een tijdje.
uitleggen
Kun je me dat uitleggen?
de rekening
Mag ik de rekening, alstublieft?
de verklaring
De verklaring van de leraar was duidelijk.
de verzameling
de file
De file was zo lang dat we een uur vertraging hadden.
gewoon
Het is gewoon een film.
ongewoon
Ze heeft een ongewoon talent voor muziek.
helaas
Helaas kan ik niet naar het feest komen.
jammer
Het is jammer dat je niet kunt komen.
liggen
De kat ligt op de bank.
het ongeluk
Er was een ongeluk op de snelweg.
pas
sturen
Ik ga je een e-mail sturen.
de vergadering
De vergadering begint om tien uur.
de verhuizing
vriendelijk
De ober was erg vriendelijk en behulpzaam.
kaal
Hij is kaal.
werkloos
Hij is werkloos sinds de pandemie.
vrolijk
De kinderen zijn vrolijk aan het spelen.
duren
De film duurt twee uur.
handig
Deze tas is heel handig voor boodschappen.
helemaal
Ik ben helemaal blij.
de kou
De kou van de winter maakt me altijd moe.
het mileu
prettig
Het was een prettige dag.
het rijbewijs
Ik heb mijn rijbewijs gehaald.
de rit
We maken een lange rit naar het strand.
het verhaal
Ik heb een interessant verhaal gelezen.
de afwas
Ik moet de afwas doen na het eten.
de bewoner
De bewoner van dit huis is erg vriendelijk.
boos
Ik ben boos op mijn vriend.
eerlijk
Het is belangrijk om eerlijk te zijn in een relatie.
de gewoonte
Ik heb de gewoonte om elke ochtend te joggen.
het huishouden
Ik doe elke zaterdag het huishouden.
het leven
Het leven is mooi.
de omgeving
De omgeving van het huis is erg mooi.
oplossen
Hij heeft de puzzel snel opgelost.
opschieten met
Ik hoop dat je beter opschiet met je nieuwe collega.
schiet op
Schiet op, we zijn al te laat!
schieten
Hij schiet de bal in het doel.
overdag
Ik ga overdag naar school.
's avonds
Ik ga 's avonds naar de film.
de ruzie
Er was een ruzie tussen de buren.
uitgaan
Wij gaan vanavond uit.
verdelen
We gaan de taart verdelen in acht stukken.
vies
De vloer is vies.
weleens
Heb je weleens in Amsterdam geweest?
de deelnemer
De deelnemer moet zich registreren voor het evenement.
gebeuren
Wat gaat er gebeuren?
hoeven
Hij hoeft zijn huiswerk niet te maken.
iemand
Ik heb iemand gezien in het park.
de medewerkster
het onderwerp
Wat is het onderwerp van deze les?
het spelletje
Wij spelen het spelletje elke zaterdag.
verschillen
De kleuren van de bloemen verschillen van elkaar.
voorbereiden
Ik moet me goed voorbereiden op het examen.
de vrijwilliger
De vrijwilliger helpt elke zaterdag in het dierenasiel.
zich aanmelden
Ik wil me aanmelden voor de cursus.
het buitenland
Ik ga deze zomer naar het buitenland.
het grasveld
kletsen
Wij zitten op het terras en kletsen over onze vakantie.
missen
Wij missen de verjaardag van onze oma.
het openbaar vervoer
Ik neem elke dag het openbaar vervoer naar school.
regelmatig
Ik sport regelmatig.
de speeltuin
We gaan naar de speeltuin.
de struik
De struik in mijn tuin bloeit mooi.
tevreden
Ik ben tevreden met mijn cijfers.
het verkeer
Het verkeer is vandaag erg druk.
zoveel
Ik heb zoveel boeken gelezen dit jaar.
vooral
Dit boek is vooral interessant voor studenten.
vlakbij
De supermarkt is vlakbij mijn huis.
de reklame
bang
Ik ben bang in het donker.
blaffen
De hond blaft elke nacht.
het gedrag
We moeten het gedrag van de honden in de training observeren.
het geluid
Het geluid van de vogels is prachtig.
ineens
Het begon ineens te regenen.
klagen
Hij klaagt altijd over het weer.
de oplossing
We moeten een oplossing vinden voor dit probleem.
de overlast
De overlast van het verkeer is erg vervelend.
overleggen
We moeten overleggen over het project.
de schuld
Ik heb de schuld van de fout.
stinken
De vis stinkt als hij niet vers is.
de trap
Pas op voor de trap!
uitlaten
Ik ga de hond uitlaten.
veroorzaken
Het slechte weer veroorzaakte veel vertragingen.
de vuilniszak
De vuilniszak is vol, ik moet een nieuwe pakken.
waarschijnlijk
Het gaat waarschijnlijk regenen morgen.

wennen
Ik moet wennen aan het nieuwe huis.
wat zielig
Die hond is zo alleen, wat zielig!
zomaar
Ik heb zomaar een boek gekocht.
aandoen
Ik ga mijn jas aandoen.
aantrekken
Ik ga mijn jas aantrekken.
benieuwd
Ik ben benieuwd naar het nieuwe boek.
de bruiloft
De bruiloft was prachtig en vol vreugde.
lelijk
Die muur is lelijk.
lievelings
Mijn lievelingskleur is blauw.
de mening
Wat is jouw mening over dit onderwerp?
nadenken
Ik moet even nadenken over mijn keuze.
prachtig
Ze heeft een prachtig schilderij gemaakt.
uitgeven
Hij heeft veel geld uitgegeven aan zijn nieuwe auto.
rotzooi
Het is een grote rotzooi in mijn kamer.
schaam
Ik schaam me voor wat ik heb gedaan.
de aanbieding
Ik heb de aanbieding voor de nieuwe telefoon gezien.
de aankoop
Ik heb gisteren een nieuwe fiets als aankoop gedaan.
over het algemeen
Over het algemeen zijn de prijzen hier redelijk.

het bankafschrift
bepaald
Ik heb een bepaald boek gelezen.
binnen
Ik ben binnen het huis.
houden
Houd de deur open, alsjeblieft.
kapotgaan
Mijn fiets is kapotgegaan.
namelijk
Ik heb een nieuwe hobby, namelijk schilderen.
ruilen
Ik wil mijn boek ruilen voor jouw tijdschrift.

de tegoedbon
Ik heb een tegoedbon voor de winkel.
terugkrijgen
Ik wil mijn boek terugkrijgen.

terugstorten
De winkel zal het bedrag terugstorten op je rekening.
de voorwaard
het aantal
We moeten het aantal bezoekers voor het evenement verhogen.
bekijken
Kun je deze foto even bekijken?
de beoordeling
De beoordeling van de toets was positief.
de beslissing
Ik moet een beslissing nemen.
betrouwbaar
Hij is een betrouwbare vriend.
gaaf
Dat concert was echt gaaf!
inderdaad
Dat is inderdaad een goed idee.
minstens
Je moet minstens drie boeken lezen.
noemen
Hoe noem je deze bloem?
nogal
Het is nogal koud vandaag.
de opruiming
stukgaan
Mijn fiets is stukgegaan.
twijfelen
Ik twijfel of ik naar het feest ga.
verdienen
Ik verdien veel geld met mijn baan.
afgeven
Kun je het pakketje afgeven bij de buren?
dichtmaken
Kun je de deur dichtmaken?
juist
Dat is juist!
leggen
Ik leg het boek op de tafel.
ontvangen
Ik heb een cadeau ontvangen.
plakken
Kun je deze twee stukken hout plakken?
de reden
De reden waarom ik niet ga, is omdat ik ziek ben.
verkeerd
Ik heb het verkeerde boek gepakt.
vervolgens
We gingen naar de winkel, en vervolgens naar het park.

het verzendbewijs
aanrijden
De auto is tegen de boom aangereden.
belachelijk
Dat idee is echt belachelijk!
beloven
Ik beloof dat ik je zal helpen.
de boete
Ik heb een boete gekregen voor te hard rijden.
gevaarlijk
Het is gevaarlijk om zonder helm te fietsen.
de haast
Ik heb de haast om op tijd te komen.
onveilig
Het is onveilig om 's nachts alleen te lopen.
de regel
De regel is dat je altijd je handen moet wassen.
de stoep
Ik loop elke ochtend op de stoep naar school.
tegenwoordig
Tegenwoordig gebruiken veel mensen sociale media.
uitkijken
Uitkijken voor de auto!
de uitzondering
Dit is de uitzondering op de regel.
veilig
Ik voel me veilig in mijn huis.
veranderen
Ik wil mijn kamer veranderen.

de voetganger
De voetganger moet altijd op het zebrapad lopen.

breken
Ik heb mijn telefoon laten breken.
dagelijks
Ik ga dagelijks joggen.
het fornuis
Ik zet de pan op het fornuis.
fout
Dat antwoord is fout.
gewond
De gewonde man werd naar het ziekenhuis gebracht.
ondertussen
Ik kook het avondeten, ondertussen kijkt mijn broer televisie.
onhandig
Hij is altijd zo onhandig met zijn handen.
de oorzak
overlijden
Helaas is mijn grootvader onlangs overleden.
de schoonmaakmiddel
schrikken
Ze schrikken altijd van de harde knal.
snijden
Ik snijd de groenten voor de salade.
uitzetten
Kun je het licht uitzetten als je de kamer verlaat?
vallen
De bladeren vallen van de bomen.
verbranden
De kaars is verbrand tot de helft.
voorkomen
We moeten proberen ongelukken te voorkomen.
We must prevent accidents to occur.
wegaan
het einde
Het einde van het verhaal was verrassend.
de handtekening
Ik heb je handtekening nodig op dit formulier.
een heleboel
Ik heb een heleboel huiswerk te doen.
het kruispunt
Bij het kruispunt moet je rechtsaf slaan.
neerzetten
Kun je het boek daar neerzetten?
de snelheid
De snelheid van de auto is te hoog.

toen
We gingen naar het strand toen het mooi weer was.
de verlichting
De verlichting in deze kamer is te fel.
de wijk
Ik woon in een rustige wijk.
zwanger
Ze is zwanger van haar eerste kind.
daarna
We gingen naar de winkel, en daarna naar het park.
de dief
De dief is gepakt door de politie.
de getuige
Het is belangrijk dat de getuige eerlijk is tijdens de rechtszaak.
geweld
Het geweld in de stad is de laatste tijd toegenomen.
de inbreker

de jongere
melden
Ik moet de leraar melden dat ik ziek ben.
de melding
meteen
Ik ga meteen naar huis.
het noodgeval
Er was een noodgeval in het ziekenhuis.
het slot
Ik heb het slot van de deur vervangen.
stelen
Hij heeft mijn fiets gestolen.
de veiligheid
De veiligheid van de kinderen is belangrijk.
vetrouwen
vreemd
Dat is een vreemde gewoonte.
waarschuwen
Ik wil je waarschuwen voor het slechte weer.