Dutch words 1

Interactive flashcards for learning vocabulary

Dutchbeginnerby 7s2q9n7xv2
Flashcards: 885 / 5

Save words from this page and practise them with flashcards in DuoCards. How does it work?

welkom
willkommen
Welkom op mijn feestje!
de cursus
Kurs
Ik volg een cursus Nederlands.
beginnen
beginnen
Hij begint een nieuwe baan volgende week.
goedemorgen
guten Morgen
Goedemorgen, hoe gaat het met je?
allemaal
alle / alle zusammen
Allemaal samen kunnen we het doen.
in de
in der / im
Ik ben in de klas.
in
in
Ze woont in Amsterdam.
ik
ich
Ik ben blij.
zijn
sein
Ik ben een student.
en
und
Ik heb een hond en een kat.
jullie
euer / ihr
Ik heb jullie hulp nodig.
de docent
Dozent
De docent legt de lesstof duidelijk uit.
hebben
haben
Wij hebben veel plezier gehad op het feest.
twee
zwei
Ik heb twee appels.
andere
andere
Ik heb een andere boek gelezen.
hij
er
Hij speelt voetbal.
lesgeven
unterrichten
Zij geeft les in wiskunde op de middelbare school.
de dag
Tag
Vandaag is de dag dat ik mijn examen heb.
drie
drei
We gaan drie dagen op vakantie.
we
wir
We moeten samen werken aan dit project.
met
mit
Ik ga met mijn vrienden naar het park.
kennismaken
Bekannschaft machen / kennenlernen
Zij maakt kennis met de nieuwe klasgenoten.
wie
wer
Wie is dat?
jij
du
Jij bent mijn beste vriend.
wat
was
Wat is jouw naam?
jouw
dein
Is dit jouw boek?
de naam
Name
Wat is jouw naam?
de cursist
Kursteilnehmer
De cursist heeft zijn huiswerk gemaakt.
mijn
mein / meine
Mijn huis is groot.
je / jij
du
Wil je rocket league spelen?
de voornaam
Vorname
Wat is jouw voornaam?
de achternaam
Nachname
Haar achternaam begint met een K.
uit
aus
De kat is uit de doos.
welk
welche
Welk huis is van jou?
het land
Land
Het land is groot en heeft veel bergen.
komen
kommen
Ze komen van ver.
de buurman
Nachbar
De buurman heeft een nieuwe auto gekocht.
van
von
De auto van mijn vader is blauw.
hoe
Wie
Hoe gaat het met jou?
heten
heißen
Hoe heet jij?
waar ... vandaan
woher
ook
auch
Ik hou van pizza, en ik hou ook van pasta.
waar
wo
Weet je waar hij is?
wonen
wohnen
Waar woon jij?
nu
jetzt
Kom nu, we zijn te laat!
het adres
Adresse
Wat is jouw adres?
op
auf
De kat zit op de stoel.
het nummer
die Nummer
Wat is jouw telefoonnummer?
het antwoord
Antwort
Wat is het antwoord op deze vraag?
de postcode
Postleitzahl
Mijn postcode is 1234 AB.
u
Sie
Mag ik u helpen?
mevrouw
Frau
Mevrouw, kunt u mij helpen?
zeggen
sagen
Ik zeg dat het mooi weer is.
maar
einfach
Ik wil gaan, maar het regent.
hoor
ne? / nicht wahr?
Dat is echt een goed idee, hoor!
ja
ja
Ja, ik wil een ijsje.
hier
hier
Kun je me hier helpen?
al
schon / bereits
Heb je al gegeten?
twintig
zwanzig
Ik ben twintig jaar oud.
het jaar
Jahr
Dit jaar ga ik naar school.
oké
okay
Kunnen we om 3 uur afspreken? Oké?
afspreken
treffen
Kunnen we afspreken voor koffie morgen?
verdergaan
weitermachen
We gaan verder met de les.
de les
Unterricht
Ik heb vandaag een interessante les over geschiedenis.
iedereen
jeder
Iedereen moet zijn handen wassen voor het eten.
het boek
Buch
Ik lees elke avond een hoofdstuk uit het boek.
hoofdstuk
Kapitel
Ik ben nu bij hoofdstuk drie van het boek.
de tekst
Text
Ik heb de tekst van het lied geleerd.
één
eins
Er is één probleem dat we moeten oplossen.
de bladzijde
die Seite
Kun je de bladzijde omslaan?
acht
acht
Ik heb acht appels gekocht.
luisteren
hören / anhören
Ik luister naar de muziek terwijl ik studeer.
naar
nach
Hij kijkt naar de sterren.
lezen
lesen
Ik hou van lezen in de avond.
iemand
jemand
Ik heb iemand gezien in het park.
nog
noch
Ik ben nog hier.
de vraag
Frage
Wat is de vraag die je wilt stellen?
nee
nein
Nee, dank je.
stoppen
aufhören / stoppen
Ik moet stoppen met roken.
even
kurz / eben mal
Kun je even wachten?
het is
es ist
Het is mooi weer.
weer
Wetter
Het weer is vandaag mooi.
de pauze
Pause
We hebben een pauze van tien minuten.
duren
dauern
De film duurt twee uur.
tien
zehn
Ik heb tien appels gekocht.
de minuut
Minute
Ik ben over vijf minuten klaar.
tot
bis
Ik blijf hier tot morgen.
straks
gleich / bald
Straks komt mijn vriend op bezoek.

Learning with DuoCards

What is DuoCards?

DuoCards is a language-learning app that helps you build vocabulary with flashcards. You can save words you want to learn and practise them over time.

How do I learn with this set?

Browse the flashcards to see the words and their translations. Select Card picker and choose the words you want to learn. Then create a free account to save your words and practise them.

How do I practise my words?

You'll see a flashcard with a word and a hidden translation. Guess what it means, then tap to check your answer. DuoCards repeats the words you find difficult.

Do I need an account, and is learning free?

You can browse this page without an account. A free account lets you save words and track your progress. The free plan has limits, and Premium offers additional features.