Nederlandse woorden 1Dutch words

welkom
Welkom op mijn feestje!
de cursus
Ik volg een cursus Nederlands.
beginnen
Hij begint een nieuwe baan volgende week.
goedemorgen
Goedemorgen, hoe gaat het met je?
allemaal
Allemaal samen kunnen we het doen.
in de
Ik ben in de klas.
in
Ze woont in Amsterdam.
ik
Ik ben blij.
zijn
Ik ben een student.
en
Ik heb een hond en een kat.
jullie
Ik heb jullie hulp nodig.
de docent
De docent legt de lesstof duidelijk uit.
hebben
Wij hebben veel plezier gehad op het feest.
twee
Ik heb twee appels.
andere
Ik heb een andere boek gelezen.
hij
Hij speelt voetbal.
lesgeven
Zij geeft les in wiskunde op de middelbare school.
de dag
Vandaag is de dag dat ik mijn examen heb.
drie
We gaan drie dagen op vakantie.
we
We moeten samen werken aan dit project.
met
Ik ga met mijn vrienden naar het park.
kennismaken
Zij maakt kennis met de nieuwe klasgenoten.
wie
Wie is dat?
jij
Jij bent mijn beste vriend.
wat
Wat is jouw naam?
jouw
Is dit jouw boek?
de naam
Wat is jouw naam?
de cursist
De cursist heeft zijn huiswerk gemaakt.
mijn
Mijn huis is groot.
je / jij
Wil je rocket league spelen?
de voornaam
Wat is jouw voornaam?
de achternaam
Haar achternaam begint met een K.
uit
De kat is uit de doos.
welk
Welk huis is van jou?
het land
Het land is groot en heeft veel bergen.
komen
Ze komen van ver.
de buurman
De buurman heeft een nieuwe auto gekocht.
van
De auto van mijn vader is blauw.
hoe
Hoe gaat het met jou?
heten
Hoe heet jij?
waar ... vandaan
ook
Ik hou van pizza, en ik hou ook van pasta.
waar
Weet je waar hij is?
wonen
Waar woon jij?
nu
Kom nu, we zijn te laat!
het adres
Wat is jouw adres?
op
De kat zit op de stoel.
het nummer
Wat is jouw telefoonnummer?
het antwoord
Wat is het antwoord op deze vraag?
de postcode
Mijn postcode is 1234 AB.
u
Mag ik u helpen?
mevrouw
Mevrouw, kunt u mij helpen?
zeggen
Ik zeg dat het mooi weer is.
maar
Ik wil gaan, maar het regent.
hoor
Dat is echt een goed idee, hoor!
ja
Ja, ik wil een ijsje.
hier
Kun je me hier helpen?
al
Heb je al gegeten?
twintig
Ik ben twintig jaar oud.
het jaar
Dit jaar ga ik naar school.
oké
Kunnen we om 3 uur afspreken? Oké?
afspreken
Kunnen we afspreken voor koffie morgen?
verdergaan
We gaan verder met de les.
de les
Ik heb vandaag een interessante les over geschiedenis.
iedereen
Iedereen moet zijn handen wassen voor het eten.
het boek
Ik lees elke avond een hoofdstuk uit het boek.
hoofdstuk
Ik ben nu bij hoofdstuk drie van het boek.
de tekst
Ik heb de tekst van het lied geleerd.
één
Er is één probleem dat we moeten oplossen.
de bladzijde
Kun je de bladzijde omslaan?
acht
Ik heb acht appels gekocht.
luisteren
Ik luister naar de muziek terwijl ik studeer.
naar
Hij kijkt naar de sterren.
lezen
Ik hou van lezen in de avond.
iemand
Ik heb iemand gezien in het park.
nog
Ik ben nog hier.
de vraag
Wat is de vraag die je wilt stellen?
nee
Nee, dank je.
stoppen
Ik moet stoppen met roken.
even
Kun je even wachten?
het is
Het is mooi weer.
weer
Het weer is vandaag mooi.
de pauze
We hebben een pauze van tien minuten.
duren
De film duurt twee uur.
tien
Ik heb tien appels gekocht.
de minuut
Ik ben over vijf minuten klaar.
tot
Ik blijf hier tot morgen.
straks
Straks komt mijn vriend op bezoek.
To start learning, sign up for free.