NumbersTo100Dutch words
by HenryZ5
nul
De score is nul.
een
Zij wil een hond kopen.
twee
Ik heb twee appels.
drie
We gaan drie dagen op vakantie.
vier
We gaan om vier uur naar het park.
vijf
We gaan om vijf uur naar het feest.
zes
Ik heb zes appels gekocht.
zeven
De klas heeft zeven leerlingen.
acht
Het is acht uur 's avonds.
negen
Hij is negen jaar oud.
tien
Hij is tien jaar oud.
elf
De wedstrijd begint om elf uur.
twaalf
Er zijn twaalf maanden in een jaar.
dertien
Er zijn dertien appels in de mand.
veertien
We hebben veertien appels gekocht.
vijtien
De wedstrijd begint om vijftien over negen.
zestien
Ik ben zestien jaar oud.
zeventien
Er zijn zeventien leerlingen in de klas.
achtien
Ik word volgend jaar achttien.
negentien
Hij is negentien jaar oud.
twintig
Ik ben twintig jaar oud.
eenentwinting
Ik heb eenentwintig boeken gelezen dit jaar.
tweeëntwintig
De klas heeft tweeëntwintig leerlingen.