Ik lees het boek.
Ik luister naar mijn muziek.
Ik schrijf.
Hallo, met wie spreek ik?
Hallo allemaal, Dutchies to be!
Welkom bij video nummer 2 in mijn kleine mini-serie over frequente Nederlandse werkwoorden.
En in dit deel kijken we naar een paar werkwoorden die te maken hebben met communicatie en met taal.
Ja, dus deze werkwoorden die komen ook van de lijst die bij de Dutch for beginners course hoort.
Dus als je nog meer Nederlands met mij wilt leren dan kun je je ook aanmelden voor de cursus.
En bij veel van de werkwoorden van vandaag horen voorzetsels (preposities)
dus daar gaan we vandaag ook naar kijken.
Laten we direct beginnen met groep 1.
Dat zijn de werkwoorden: lezen, schrijven, spreken en luisteren.
LEZEN.
Oké, ik pak een boek.
Ja, dit is een boek en...
"Ik LEES het boek".
Je moet dit niet verwarren met LEREN.
LEREN is meer "studeren".
Maar LEZEN is: "Ik LEES een boek."
"Wat LEES jij?"
"Wat LEZEN jullie?"
"Kun jij al goed Nederlands LEZEN?"
En je ziet ook, als ik zeg: "Ik LEES mijn boek"
dan hebben wij dus LEES met 2 EE's en 1 S.
Als je nog NIET weet waarom dat is, kijk dan deel 1 van de "Nederlandse frequente werkwoorden serie".
Werkwoord 2 is SCHRIJVEN.
"Ik SCHRIJF."
Ja!
Ho...
Nou dat gaat goed zeg...
Oké.
Dus...
Ja, "Ik SCHRIJF" met een F.
Ja... dus SCHRIJVEN is met een V, maar "ik SCHRIJF" is met een F.
Waarom dat is? Kijk dan dus deze video.
En SCHRIJVEN kan met voorzetsels, met preposities.
Bijvoorbeeld: "Ik schrijf IN mijn schrift."
Of: "Ik schrijf een brief AAN mijn oma."
"Schrijven AAN".
To start learning, sign up for free.