Zinnen: Groep één
Het is erg laat.
Het water kookt.
Mijn auto is rood.
Zing een lied.
Geef me mijn boek.
Ga de trap op.
Kom uit de boom.
Het spel is afgelopen.
Hoe laat is het?
De vogels vliegen.
In het huis wonen een kat en een hond.
Mijn hond is klein en lief.
Ze zijn vrienden en spelen samen.
De kat wil op de bank slapen.
Hij kijkt naar het speelgoed.
Buiten is de lucht helder.
De kat rent naar het raam.
Ze zit stil.
Het is een mooie dag voor vrienden.
De bloemen groeien.